Terug

 

 

A B C
D E F
G H I
J K L
M N O
P Q R
S T U
V W X
IJ Z blanko

Zoeken

 

KLIK OP EEN TITEL OM TE OPENEN
KLIK NOGMAALS OM TE SLUITEN

A

A IS EEN AAPJE
 

A is een Aapje, dat eet uit zijn poot

B is een Bakker, die bakt voor ons brood

C is Charlotte, die drinkt chocolaad

D is een Dame, die drentelt op straat

E is een Ezel, die gaat naar het land

F is een Fruitvrouw, met fruit in haar mand

G is een Geitje, en Gijs is er bij

H is een Held, met een houwer op zij

I is een Inktpot, waar Izaak uit schreef

J is een Jasje, dat kreeg ik van neef

K is een Koopman, die koffie verzond

L is een Landman, die leeuweriken vond

M is een Molen, die maalt door de wind

N is een Nestje, dat Nicolaas vindt

O is een Otter, die zwom in het meer

P is ons Pietje, die pikt aan een peer

R is een Rover, die appelen steelt

S is een Scheepje, waar Steven mee speelt

T is een Trommel, die tante mij schonk

U is een Uiltje, dat zit op een tronk

V is een Visser, met vis in zijn schuit

W is een Wagen, daar rijd ik mee uit

IJ is een IJsbeer, die wit is van vel

Z is een Zeeman, die zegt u vaarwel

AAN DE OEVER VAN DE ROTTE
 

Aan de oever van de Rotte

Tussen Delft en Overschie

Zat 'n kikvors luid te wenen

Met een zuigeling op haar knie

Zat 'n kikvors luid te wenen

Met een zuigeling op haar knie

 

Lieve kleine, sprak de moeder

Zie je daar die ooievaar

't Is de moordenaar van je vader

Hij vrat ‘m op met huid en haar

't Is de moordenaar van je vader

Hij vrat 'm op met huid en haar

 

Wel verdorie, sprak de kleine

Heeft die rotvent dat gedaan

Als ik later groot en sterk ben

Zal 'k 'm op zijn falie slaan

Als ik later groot en sterk ben

Zal 'k 'm op zijn falie slaan

 

Nauw’lijks was hij uitgesproken

Of daar kwam de ooievaar

Greep de kleine bij z'n lurven

Stopte 'm bij z'n ouwe vaar

Greep de kleine bij z'n lurven

Stopte 'm bij z'n ouwe vaar

 

Toen hij binnen was gekomen

Zag hij daar zijn vader staan

En toen zijn ze met z'n tweeën

Naar de uitgang toe gegaan

En toen zijn ze met z'n tweeën

Naar de uitgang toe gegaan

 

En weer buiten aangekomen

Zagen zij nog altijd groen

Hieruit blijkt dus dat de zuren

Van het rotbeest het niet doen

Hieruit blijkt dus dat de zuren

Van het rotbeest het niet doen

AFSCHEID
 

Kom vader, zet u bij mij neder

Geef mij uw hand en zie mij aan

Zeg vader, kunt u 't mij vergeven

Wanneer ik u heb leed gedaan

 

Voorzeker, ‘t zal niet lang meer duren

Ik ben zo ziek, zo zwak, zo moe

O vader, als ik nu ga sterven

Dan ga ik naar mijn moeder toe

 

Mijn speelgoed, vader, wil het bergen

O, berg het goed en veilig weg

En wilt u later bij ‘t aanschouwen

Dan ook weer aan mij denken, zeg

 

Vergeef mij vaderlief, vergeef mij

Ween toch zo niet, het doet mij pijn

O, kus mij vader, ik ga rusten

'k Zal weldra bij mijn moeder zijn

 

O vader, als mijn makkers komen

En schreiend op het kerkhof staan

Zeg hen dan dat ik naar de hemel

Waar moeder is, ben heengegaan

 

Ik ga nu naar den schonen hemel

Daar is geen ziekte of geen pijn

Mijn geest zal immer u omzweven

'k Zal weldra bij mijn moeder zijn

AL DIE WILLEN TE KAAP'REN VAREN
 

Al die willen te kaap'ren varen

Moeten mannen met baarden zijn

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, die hebben baarden

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, zij varen mee

 

Al die ranzige tweebak lusten

Moeten mannen met baarden zijn

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, die hebben baarden

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, zij varen mee

 

Al die deftige pijpkens smoren

Moeten mannen met baarden zijn

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, die hebben baarden

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, zij varen mee

 

Al die met ons de walrus killen

Moeten mannen met baarden zijn

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, die hebben baarden

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, zij varen mee

 

Al die dood en duivel niet duchten

Moeten mannen met baarden zijn

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, die hebben baarden

Jan, Pier, Tjores en Corneel

Die hebben baarden, zij varen mee

ALLEMAAL MEEDOEN
 

Twee handjes op de tafel

Twee handjes in de zij

Twee handjes op de schouders

Op 't hoofdje allebei

 

Nu maken we twee vuistjes

Zo stevig als 't maar kan

En gaan er nu mee trommelen

Van rommeldebommeleban

 

De duimpjes zijn de dikste

De pinkjes zijn maar klein

Nu moeten alle handjes

Weer vlug op tafel zijn

ALLES IN DE WIND
 

Alles in de wind

Alles in de wind

't Is maar een schipperskind

Alles in de wind

Alles in de wind

't Is maar een schipperskind

Kom hier Rosa

Je bent m'n zusje

Je bent m'n zusje

Kom hier Rosa

Je bent m'n zusje, ja, ja

 

O wat 'n spijt

O wat 'n spijt

Nu ben ik m'n zusje kwijt

O wat 'n spijt

O wat 'n spijt

Nu ben ik m'n zusje kwijt

Kom hier Rosa

'k Neem een ander

'k Neem een ander

Kom hier Rosa

'k Neem een ander, ja, ja

 

Daar ginder op die brug

Ginder op die brug

Zie ik m'n zusje terug

Daar ginder op die brug

Ginder op die brug

Zie ik m'n zusje terug

Kom hier Rosa

'k Heb m'n zusje

'k Heb m'n zusje

Kom hier Rosa

'k Heb m'n zusje, ja, ja

ALS IK GROOT BEN WORD IK ZEEMAN
 

Als ik groot ben word ik zeeman

Zei de kleine Piet

Broertje, broertje, zei Margootje

Doe dat liever niet

 

Wordt maar beter koekenbakker

Dan word ik je vrouw

En de taartjes die wij bakken

Zijn voor mij en jou

ALS 'T AVOND WORDT
 

Des avonds als het klokje klept

Dan bid ik mijn gebed

Mijn moe die trekt mijn nachtpon aan

En brengt me naar mijn bed

 

Ze dekt me lekker warmpjes toe

En vraagt dan: Lig je zacht

Dan geven wij elkaar een zoen

En zeggen: Goeden nacht

 

Dan kan ik nog niet slapen gaan

Maar zing ik nog een poos

Doch eindelijk gaan mijn oogjes toe

En slaap ik als een roos

 

En 's morgens als mijn moe me wekt

En ik haar armen vat

Dan zeg ik: Heerlijk moedertje

Wat ben je toch een schat

ALS 'T KERSTMIS IS
 

Als 't kerstmis is in alle landen

En de kaarsjes vredig branden

 

Wordt, wie goed heeft opgepast

Meestal met iets moois verrast

 

Daarom altijd trouw proberen

Lief te wezen, flink te Ieren

 

Niet te zeuren of te klagen

Niet te morren, sarren, plagen

 

Als je je goede wil maar toont

Word je daarvoor vast beloond

ALS 'T ZOMER IS
 

Als 't zomer is dan mogen

Mijn zusje, broer en ik

'n Week of drie naar buiten

Wat hebben wij dan schik

 

Daar, op een grote hoeve

Verscholen in het groen

Wacht ons dan oom en tante

Wat of wij daar wel doen

 

Wel, wij gaan springen, draven

Al door de groene wei

En Bello, onze lieveling

Draaft mee aan onze zij

 

Wij mogen heerlijk smullen

Van appel, pruim en peer

En 's avonds smaakt de melk

Met wittebrood naar meer

 

Ook gaan we heerlijk wandelen

Door gaard en veld en bos

En worden we soms moede

Dan rusten we in ’t mos

 

's Nachts droom ik van de weide

Van bloempjes in het gras

Van Bello; hè ik wou maar

Dat het altijd zomer was

AMSTERDAMS MEISJE
 

Amsterdams meisje

Wat doe jij hier zo laat op straat

Zeg mij, aardig meisje

Waar of jij henen gaat

 

'k Ga mijn zusje Lientje halen

Die nog bij mijn tante is

Anders gaat ze dwalen

Al in de duisternis

ANTJES POP
 

Antjes pop verloor haar kop

Groot gedruis door heel het huis

Arme pop, zo zucht Annet

Hoe je kop weer opgezet

 

Zij neemt hem vast en meet en past

En zegt: Blijf staan; doch ‘t wil niet gaan

Haar broertje Piet, een echte guit

Vraagt haar: Wat ziet ge er treurig uit

 

Is ‘t om de pop haar mooie kop

Dan weet ik raad, ginds in de straat

Woont smid de Laat, een wakkere man

Die kreupele poppen maken kan

 

En Antje neemt voor goede munt

De praatjes die haar broer haar gunt

In de ene hand neemt zij de pop

In de andere de gescheiden kop

 

Zo snelt ze op straat naar smid de Laat

Zij toont haar pop en zegt meteen

Ach smidje, maak haar weer aaneen

Gij zijt een man die alles kan

 

De smid die juist de blaasbalg trok

Kreeg van het lachen zulk een schok

Dat hij haast ondersteboven viel

Het hoofd omlaag, omhoog de hiel

ARJAONEKE
 

Op de waereld kwam ik achter Breugelen

Haon en kiepen kraaiden van plezier

M'n moeder zee: och, hagget jong mer vleugelen

't Waor 'n engel, ja, voorwaor 'n lekker dier

Rooie haoren en gitgrijze ogen

Haanden, voeten, grutter as de mijn

Welke naom wij haar toch geven mogen

Wel, Arjaoneke, 't is mooier nog dan Trijn

 

En ik hiet Arjaoneke

Lig nie te zaonike

Jaoneke is mijne naom

Wel, 'k hiet Arjaoneke

Lig nie te zaonike

Hiet ik, en mijne vent Arjaon

 

Jongen lief, toen ik gedupt moest worde

Heel ons durpke liep toen mee ons mee

M'n moeder zee: 't Was 'n echte horde

't Was hard winter en we zaoten in de slee

Onze bruine ging aon 't galopperen

Veur de kerk, daor viel ie op de grond

En heel Breugel netjes in de kleren

Die dansten lustig om ons henen in ’t rond

 

En daor ligt nou Arjaoneke

Lig nie te zaonike

Jaoneke is mijne naom

Wel, 'k hiet Arjaoneke

Lig nie te zaonike

Hiet ik, en mijne vent Arjaon

ARM PAARDJE
 

Ik wil, zo sprak het paard

Ik wil mijn leven lang

Niet werken en niet zweten

Weg met die slaafse dwang

 

Met deze woorden sprong

Het dier verheugd van zin

De reine, warme stal uit

En liep de polder in

 

Daar vloeide een heldere vliet

Daar groeide welig gras

En luide juichte 't paardje

Zo lang het zomer was

 

Toen vlood die schone tijd

Toen brak de winter aan

En wierp met sneeuw en ijzel

En gierde door de laan

 

Toen sprak het arme paard:

Wat ben ik dwaas geweest

Mijn kind, zo vaart de luiaard

Die steeds de arbeid vreest

ARME HAASJES
 

In een groen knollenland

Zaten eens twee haasjes

Smulden van het lekker kruid

Net als eters-baasjes

 

Toen zij hadden hun buikjes vol

Strekten zij de poten

Doch daar kwam opeens een jager aan

En die heeft ze geschoten

 

En de diertjes waren dood

Voordat zij het wisten

Arme haasjes, wees voorzichtig toch

Maar je kent geen listen

AVONDGEBEDJE
 

Als ik 's avonds slapen ga

Volgen mij veertien engeltjes na

 

Twee aan mijn hoofdeinde

Twee aan mijn voeteneinde

 

Twee aan mijn rechterzijde

Twee aan mijn linkerzijde

 

Twee die mij wekken

Twee die mij dekken

 

Twee die mij wijzen

Naar 's hemels paradijze

 

Ik moet eens sterven

Maar ik weet niet waar

Ik moet eens sterven

Maar ik weet niet hoe

 

Dit echter weet ik

Als ik groot kwaad heb gedaan

En Jezus roept mij

Dan kom ik niet in de hemel