Terug

 

 

A B C
D E F
G H I
J K L
M N O
P Q R
S T U
V W X
IJ Z blanko

Zoeken

 

KLIK OP EEN TITEL OM TE OPENEN
KLIK NOGMAALS OM TE SLUITEN

D

DAANTJE
 

Daantje zou naar school toe gaan

Maar hij bleef gedurig staan

Hier te kijken, daar te turen

En het kon niet lang meer duren

Dan zou het klokje negen slaan

Jongen, jongen, stap toch aan

 

Daantje bleef te lang op straat

Daantje kwam in school te laat

Daarom moest hij 's middags blijven

En een hele lei vol schrijven

Anderen speelden, Daantje niet

Jongen, jongen, wat verdriet

DAAR KWAM EEN BOER VAN ZWITSERLAND
 

Daar kwam een boer van Zwitserland

Kadé, kadolleke, keda

En die had een ezel aan zijn hand

Laberdi, laberda, laberdonia

En die had een ezel aan zijn hand, Cecilia

 

Waarop dat lei ene witte doek

Kadé, kadolleke, keda

Hij sprak: wat zal ik daarmee doen

Laberdi, laberda, laberdonia

Hij sprak: wat zal ik daarmee doen, Cecilia

 

Snijerke, sprak hij, snijerke fijn

Kadé, kadolleke, keda

Wil mij maken een kedelijn

Laberdi, laberda, laberdonia

Wil mij maken een kedelijn, Cecilia

 

En toen die kedelijn was gemaakt

Kadé, kadolleke, keda

Toen ging hij voor zijn vrouwke staan

Laberdi, laberda, laberdonia

Toen ging hij voor zijn vrouwke staan, Cecilia

 

Vrouwke, sprak hij, vrouwke fijn

Kadé, kadolleke, keda

Zeg mij hoe staat die kedelijn

Laberdi, laberda, laberdonia

Zeg mij hoe staat die kedelijn, Cecilia

 

Die kedelijn staat jou niks goe

Kadé, kadolleke, keda

Ge hebt een lijf gelijk een koe

Laberdi, laberda, laberdonia

Ge hebt een lijf gelijk een koe, Cecilia

 

Heb ik een lijf gelijk een koe

Kadé, kadolleke, keda

Dan ga ik weer naar de snijer toe

Laberdi, laberda, laberdonia

Dan ga ik weer naar de snijer toe, Cecilia

 

Snijerke, sprak hij, snijerke fijn

Kadé, kadolleke, keda

Ge hebt er bedorven mijn kedelijn

Laberdi, laberda, laberdonia

Ge hebt er bedorven mijn kedelijn, Cecilia

 

Heb ik er bedorven uw kedelijn

Kadé, kadolleke, keda

Ik heb het gesnejen in de maneschijn

Laberdi, laberda, laberdonia

Ik heb het gesnejen in de maneschijn, Cecilia

 

Hebt gij het gesnejen in de maneschijn

Kadé, kadolleke, keda

Ik zal het betalen in de zonneschijn

Laberdi, laberda, laberdonia

Ik zal het betalen in de zonneschijn, Cecilia

 

De boer die pakt zijn stok al gauw

Kadé, kadolleke, keda

En waar hij sloeg kwam niet zo nauw

Laberdi, laberda, laberdonia

En waar hij sloeg kwam niet zo nauw, Cecilia

 

Maar ook die snijer hield zich kloek

Kadé, kadolleke, keda

Hij stak de boer met de naald in zijn broek

Laberdi, laberda, laberdonia

Hij stak de boer met de naald in zijn broek, Cecilia

 

Ze zetten de snijer op een witte geit

Kadé, kadolleke, keda

En reden ermee naar de eeuwigheid

Laberdi, laberda, laberdonia

En reden ermee naar de eeuwigheid, Cecilia

DAAR WAS E WUF DIE SPON
 

Daar was e wuf die spon

Daar was e wuf die spon

Al op een houten spinnewiel

Daar was geen toorteltje aan

Vive la peperbusse, vive la spa

Tralala

Gize, gaze, goeze, ronflonfloeze

Traderadera

 

Haar mutse stoeg verdraaid

Haar mutse stoeg verdraaid

Gelijk een Hollands moleke

Die met al windeke waait

Vive la peperbusse, vive la spa

Tralala

Gize, gaze, goeze, ronflonfloeze

Traderadera

 

Dat wuf had ene zin

Dat wuf had ene zin

Als zij 's morgens buiten kroop

's Avonds kroop zij er weer in

Vive la peperbusse, vive la spa

Tralala

Gize, gaze, goeze, ronflonfloeze

Traderadera

 

Dat wuf had ene man

Dat wuf had ene man

Des zondags heet hij Pieter

Des maandags heet hij Jan

Vive la peperbusse, vive la spa

Tralala

Gize, gaze, goeze, ronflonfloeze

Traderadera

DAAR WAS LAATST EEN MEISJE LOOS
 

Daar was laatst een meisje loos

Dat wou gaan varen, dat wou gaan varen

Daar was laatst een meisje loos

Dat wou gaan varen als lichtmatroos

 

Toen bracht zij haar kist aan boord

Al naar behoren, al naar behoren

Toen bracht zij haar kist aan boord

Zo 't voor een jong matroos behoort

 

Zij moest klimmen in de mast

Maken de zeilen, maken de zeilen

Zij moest klimmen in de mast

Maken de zeilen met touwtjes vast

 

Maar door storm en tegenweer

Sloegen de zeilen, sloegen de zeilen

Maar door storm en tegenweer

Sloegen de zeilen van boven neer

 

Och, kapteintje, sla me niet

Ik ben uw liefje, ik ben uw liefje

Och, kapteintje, sla me niet

Ik ben uw liefje zoals gij ziet

 

Zij moest komen in de kajuit

Kreeg een pak ransel, kreeg een pak ransel

Zij moest komen in de kajuit

Kreeg een pak ransel en toen was het uit

DE BAKKER OP DE HOEK
 

De bakker op de hoek

Die heeft vannacht geblazen

De vellen van zijn broek

Die hangen voor de glazen

Als een boekweiten koek

DE BOER HAD MAAR ENE SCHOEN
 

De boer had maar ene schoen

Weinig genoeg, genoeg, genoeg

De boer had maar ene schoen

Weinig genoeg

Een schoen zonder hak er an

De boer is geen edelman

Een schoen zonder hak er an

De boer die is geen edelman

 

De boer had maar ene broek

Weinig genoeg, genoeg, genoeg

De boer had maar ene broek

Weinig genoeg

Een broek zonder zak er in

De boer is geen edelman

Een broek zonder zak er in

De boer die is geen edelman

 

De boer had maar ene jas

Weinig genoeg, genoeg, genoeg

De boer had maar ene jas

Weinig genoeg

Een jas zonder knoop er an

De boer is geen edelman

Een jas zonder knoop er an

De boer die is geen edelman

De boer had maar ene pet

Weinig genoeg, genoeg, genoeg

 

De boer had maar ene pet

Weinig genoeg

Een pet zonder klep er an

De boer is geen edelman

Een pet zonder klep er an

De boer die is geen edelman

 

De boer had maar ene kous

Weinig genoeg, genoeg, genoeg

De boer had maar ene kous

Weinig genoeg

Een kous met een gat er in

De boer is geen edelman

Een kous met een gat er in

De boer die is geen edelman

 

De boer had maar ene hemd

Weinig genoeg, genoeg, genoeg

De boer had maar ene hemd

Weinig genoeg

Een hemd zonder slip er an

De boer is geen edelman

Een hemd zonder slip er an

De boer die is geen edelman

 

De boer had maar ene vrouw

Meer dan genoeg, genoeg, genoeg

De boer had maar ene vrouw

Meer dan genoeg

Een vrouw met een kop er op

De boer had een reuzenstrop

Een vrouw met een kop er op

De boer die had een reuzenstrop

DE FANTAST
 

Kleine Piet ging wandelen

Met zijn pa in 't veld

Wat hij zag, of niet zag

Alles moest verteld

 

Pa, ik zag daar ginder

Luister toch eens toe

Ik zag een hond, warempel

Groter dan een koe

 

Wel, komaan, wat zeg je

Een die groter was

Dan een koe, mijn jongen

Dat is een beetje kras

 

Zie je ginds die brug wel

Voor je neus daar, Piet

Nu, die brug moet je over

Of je wilt of niet

 

Zo je nu gejokt hebt

Stort de brug ineen

En je valt in 't water

Plof, gelijk een steen

 

Piet, de brug genaderd

Voelt zich o, zo moe

Pa, ik zei, die hond was

Groter dan een koe

 

'k Heb niet juist gekeken

'k Zag hem maar zo half

Maar die hond was heus toch

Groter dan een kalf

 

En toen zich het ventje

Bij de brug bevond

Riep hij: Pa, die hond was

Net een andere hond

DE GEBROKEN VAAS
 

Johanna brak bij 't spelen

Een vaas van fijn kristal

Zij weende lang en bitter

Om zulk een droef geval

 

In 't eind deed zij de scherven

Tezamen in een doek

En wilde ze begraven

In een verborgen hoek

 

Daar kwam ze moeder tegen

Die haar verwonderd vroeg

Wat zij toch zo voorzichtig

In haren boezelaar droeg

 

Johanna werd verlegen

Maar jokken wou ze niet

En zei dan heel rondborstig

Wat of er was geschied

 

Moe had die vaas gekregen

Reeds twintig jaar geleden

En dat zij nu bedroefd werd

Was dus niet zonder reden

 

Maar toch sprak zij: Johanna

Wijl gij de waarheid zegt

Zal ik u niet bestraffen

Blijf steeds, mijn kind, oprecht

DE JACHT
 

Ik ging eenmaal op jacht

Al met een goed gedrag

Al met een goed fatsoen

Begaf ik mij in ’t groen

 

Alwaar ik ging in 't rond

En waar ik zat of stond

Een liefelijke stem mij in de oren klonk

Al van 'n schone herderinne

 

Zat in die heide

Op hare zijde

Al met haar schaapjes in een vreugde zin

Zong zij het liedje van ’n jongeling

 

Ik zei: Och beste meid

Als gij zo triestig zijt

Hebt gij dan gene vrind

Dien oprecht bemint

 

Zo gij hem gaarne ziet

En niet laat in 't verdriet

Och schone herderinne

U geloof ik niet

 

Ach, mocht ik u met hart en zinnen

Altijd beminnen, schoon herderinne

Wat zouden wij veel vreugde rapen

Op de hei, tussen die schapen

 

Jonkman, als ik verkeer

Dan doe ik het met geen heer

Ik ben maar een boerin

Daar steekt veel zorgen in

 

Als gij gaat naar het bal

Dan moet ik naar de stal

Ik bemin de boerenzoon

Met wie ik trouwen zal

 

Ik blijf veel liever herderinne

De boerensteden, die zal ik minnen

Want zulk 'n heer zijn matras is veel te zacht

Met boerenpap ben ik grootgebracht

DE KAT EN DE MUIS
 

Onder het dak van ons huis

Zat een aardige muis

Had een nestje gebouwd voor haar jongen

En ze speelden daar vrij

En ze stoeiden daar blij

En ze zongen, ze dansten, ze sprongen

 

En de muis die sloop zacht

Naar omlaag elke nacht

Om wat rijst voor haar kleintjes te stelen

En dan keerde ze vlug

Naar haar jongen weer terug

Om de rijst met elkander te delen

 

Doch eens op een keer

Kwam de oude niet weer

En de jongen kregen geen eten

De ondeugende kat

Had het muisje gevat

En haar zomaar de kop afgebeten

DE KLEINE BEZEMKOOPMAN
 

Een arme jongen liep op straat

Was zeven jaren oud

Hij had geen kleertjes aan zijn lijf

Wat was hij bleek en koud

 

Hij riep: Ach koop een bezem toch

Mijn vader is al dood

Mijn moeder is zo ziek en zwak

En heeft geen stukje brood

 

Dat hoorde een rijke edelman

Wat kost uw hele vracht

Zo vroeg hij vriendelijk aan de knaap

Die zich een poos bedacht

 

Eén gulden, sprak hij; de edelman

Gaf het knaapje nog wat meer

En zei: Behoud uw bezems maar

Verkoop ze nog een keer

 

Het knaapje dankte hem verheugd

Naar huis ging hij terstond

Kocht voor zijn moeder vlees en brood

En gauw was zij gezond

DE KLEINE MISDIENAAR
 

Een kleine blonde koorknaap

Ontsteld en aangedaan

Kwam uit de mis des morgens

Tehuis bij moeder aan

 

Nooit moeder, sprak hij bevend

Met sidderend gebaar

Nooit dien ik pater Petrus

De mis nog aan ’t altaar

 

Wel jongen, sprak de moeder

Zeg mij wat vreest gij dan

Die goede pater Petrus

Is zulk een heilig man

 

Men zegt dat somtijds engelen

In blinkend wit gewaad

Rondom de pater zweven

Als hij aan 't altaar staat

 

Och moe, ge moest eens weten

Sprak hij met droeve stem

Eerst was hij braaf en heilig

Ik hield zoveel van hem

 

Maar hoor wat ik vanmorgen

Met eigen ogen zag

Ik zag een schoon klein kindje

Dat op het altaar lag

 

En pater Petrus lachte

Het schone knaapje toe

En ook het kindje lachte

Zo blij, zo lief te moe

 

Toen nam hij 't in zijn handen

En boog zich langzaam neer

Hij bracht het aan zijn lippen

En ik zag het kind niet meer

 

Ik ben zo bang geworden

Ach moeder, nu ik weet

Hoe dat die pater Petrus

De kleine kinderen eet

 

Laat mij maar bij u blijven

Want als ik hem nog dien

O moeder, 't is te vrezen

Dan sterf ik ook misschien

 

De moeder stond bewogen

Zij drukt haar kind aan 't hart

Och kindlief, sprak zij wenend

Verban uw bange smart

 

Dat kind was 't kindje Jezus

Uw kleine lieve Heer

Hij daalde alleen uit liefde

In 's paters harte neer

 

En als ge eens groot zult wezen

En Jezus veel bemint

Dan komt ook in uw harte

Hetzelfde Jezuskind

DE LEKKERBEK
 

Een kleine krullenbol

Die had zijn zakken vol

Met lekker suikergoed

Dat smaakt zo heerlijk zoet

 

Doch toen hij happen wou

Kwam er de schooljuffrouw

En zei: Wel deugniet

Dat snoepen mag je niet

 

Eet eerst je boterham

Daar word je groter van

Och juffrouw, 'k heb geen trek

Foei, kleine lekkerbek

DE MOL EN DE MUIS
 

Het mutsje op, het rokje aan

Was ze 's morgens uitgegaan

Juffrouw Muis

Vanuit haar huis

 

Maar 't viel haar tegen

Wat een koude najaarsregen

't Was zo nat op haar pad

Dat ze er gauw genoeg van had

 

't Water drupte van haar staartje

En ze rende met een vaartje

Haastig weer naar huis terug

Lange poten lopen vlug

 

Deed de voordeur open ……. maar

Lieve deugd, wat zag ze daar

Kijk, het bed opzij geschoven

Alle stoelen ondersteboven

 

Hier en daar, door elkaar

Heel de voorraad etenswaar

Nog geen bord is blijven staan

Zeg, wie heeft dat toch gedaan

 

Laat eens zien, hier tegenover

Woont zo'n kleine wilde rover

Zou de witte hermelijn

Soms misschien de dader zijn

 

't Kon ook wel dat oom de rat

Haar die poets gebakken had

Doch die graaft niet zulke gangen

Wacht eens, ha, hij is gevangen

 

't Is bepaald een mol geweest

En terstond stapt onbevreesd

Juffrouw Muis uit haar kluis

En klopt aan bij buurmans huis

 

Zwarte mol, zwarte mol

Ben je blind of ben je dol

Wil je er mij voor laten boeten

Dat jij in de grond moet wroeten

 

Ik vind zowaar, door elkaar

Heel de voorraad etenswaar

't Suikerpot je heeft geen oren

Zeven lepels zijn verloren

 

't Stel voor olie en azijn

Ligt in scherven, kort en klein

Lieve muis, lieve muis

Ach, het is een bitter kruis

 

Toen ik op het veld vanmorgen

Voor mijn eten wou gaan zorgen

Waf waf waf, met geblaf

Vloog een keeshond op me af

 

Ik vluchtte gauw in veilige haven

Door me in de grond te graven

En ik bedacht niet eens zo ras

Dat ik bij uw huisje was

 

Lieve muis, lieve muis

Ach, 't gebeurde per abuis

Lieve mol, lieve mol

Ik bouw wel eens een ander hol

 

En de ramp is dan vergeven

Ik denk wanneer je was gebleven

Dat je gauw, door zo'n knauw

Niet veel meer vertellen zou

 

En is 't een keer weg, je leven

Niemand die 't je terug kan geven

Maar een huis van zand en hout

Is na korte tijd herbouwd

DE MUSICERENDE HAZEN
 

Al in een groen, groen, knollen-knollen-land

Daar zaten twee haasjes heel parmant

En de een die blies de fluite-fluite-fluit

En de ander sloeg de trommel

 

Toen kwam opeens een jager-jager-man

En die heeft er een geschoten

En dat heeft naar men wel denken-denken kan

De ander zeer verdroten

DE PAARDEBLOEM
 

Zeg leuke grijze pruikenbol

Wat sta je daar te pronken

Je parachute, die is van wol

Mag ik die eens bekijken

 

Zeg pluizenkop 't doet heus geen zeer

Laat mij het eens proberen

Of ik je kopje kaal kan scheren

Fuut, fuut, daar gaan ze

 

Daar, en daar, en daar

Ik zie er wel honderd zweven

En ik, ik word wel honderd jaar

Want er is toch geen wollen haar

 

Al op je kop gebleven

Wat zeg je, honderd jaar

Haha, haha, haha

Daar is toch niets van waar

DE RESEDA
 

Verleden jaar strooide ik een zaadje

In de bloementuin van mama

En dat zaadje werd een plantje

Pa zei: 't Is een reseda

 

Gisteren had het pas twee blaadjes

En nu heeft het er al acht

Mama, zeg mij wie die blaadjes

Daar zo mooi heeft aangebracht

 

Is 't misschien onze lieve Heertje

Of Maria, die dat deed

Opdat ik altijd mooi zal bidden

En maken steeds mijn werk gereed

 

En als dat plantje groot zal worden

En er komen bloempjes aan

Dan zal ik met al die bloemen

Recht naar Jezus' moeder gaan

 

'k Zal haar schone ruikers maken

Vastgeknoopt met zijden lint

Want zij heeft zo gaarne bloemen

Van een klein onnozel kind

DE ROKER
 

Een klein ondeugend ventje

Die liep, ja heus 't is waar

Op straat en in zijn mondje

Had hij een stuk sigaar

 

Maar o, daar kwam politie aan

En pakte 't ventje beet

Hij zei met boze stemme

Vertel eens hoe jij heet

 

Zo'n kleine, kleine jongen

Zo'n peuter nog als jij

Die mag volstrekt niet roken

Je bent er lelijk bij

 

De guit begon te lachen

Ik mag het van mijn pa

Want ziet u, klein agentje

Hij is van chocola

DE SNEEUWMAN
 

Daar staat hij, daar staat hij

De grote, sterke man

De knuppel in de handen

Te dreigen wat hij kan

 

Zijn ogen, zij puilen

Hem uit het nijdig hoofd

Hij zal ons allen doden

Zo gij het maar gelooft

 

Bedaar toch, bedaar toch

Gij grote, sterke reus

Straks pakt 'n zonnestraaltje

Jou bij je dikke neus

 

Dan raakt ge uwe knevel

Waar gij zo trots op zijt

Je ogen en je oren

En been en armen kwijt

 

Dan vult gij dat plasje

Met water aan uw voet

Ge zijt 'n hele kerel

Gij arme, zwakke bloed

DE TREINREIS
 

Piep keek eens uit zijn holletje

Verlegen om een praatje

Daar stond Jan z’n houten speelgoedtrein

Vlakbij het muizengaatje

 

Ha, fijn, dacht Piep, ik ga op reis

Da's nog eens een verzetje

En kijk …….. wat ligt daar op de grond

De conducteur z’n petje

 

Piep zet het op en stapt dan in

Daar gaat hij met een vaartje

In de eerste wagen zie je Piep

In nummer twee ……. zijn staartje

DE VLIEGENDE ROBERT
 

De regen valt in stromen neer

En oei, wat gaat die wind tekeer

Alle kinderen blijven thuis

Vinden 't buiten lang niet pluis

 

Maar onze Robert denkt: Wat fijn

Moet het daar nu toch wel zijn

En de deur uit stapt hij ferm

Met zijn rode regenscherm

 

Plotseling grijpt de boze wind

Stevig paraplu en kind

Blaast ze tot voorbij de toren

Roberts hoedje raakt verloren

 

En zeilt met een grote boog

Als een vlieger naar omhoog

Robert heeft het erg te kwaad

Na zijn roekeloze daad

 

De jongen en zijn paraplu

Zijn een heel klein stipje nu

Tot aan de wolken vliegt hij voort

Zijn hulpgeroep wordt niet gehoord

 

Niemand blijft beneden staan

En denkt verbaasd wie zou daar gaan

En waar ze zijn terecht gekomen

Heeft dan ook nooit een mens vernomen

DE VOS EN DE HAAN
 

Een vosje ging 's nachts eens een uitstapje doen

Om een haan of een kip op te sporen

Hij had tevergeefs, o zo lang reeds, gegaan

Hij klaagde en morde, toen eensklaps een haan

In de verte zijn kraaien liet horen

 

Vol trek in de kraaier, liep Rein met een draf erop af

Maar …… wat viel het hem tegen

Daar zat nu de haan in een boom, wat verdriet

Want klimmen kon het vosje toch helemaal niet

Maar met listen was hij niet verlegen

 

Ei haantje, hoe kunt ge, begon hij heel zacht

Zo bij nacht toch zo liefelijk zingen

Ik kondig, zei 't haantje, den dag er door aan

Den dag, riep de sluwerd, hoe kan dat bestaan

Als de nevels der nacht ons omringen

 

Ik voel, was het antwoord, de morgen vooruit

En moet luid hem verkonden aan allen

Hoe heerlijk, zei 't vosje, indien ge dat weet

Dan zijt ge waarachtig een heel groot profeet

En hoezeer is uw zang mij bevallen

 

Daar kraait weer het haantje er dapper op los

En de vos gaat aan 't dansen en springen

Gij danst, zei het haantje, waarom doet gij dat

Ik heb nooit, sprak de vos, zoveel vreugde gehad

Gij verlokt tot den dans door uw zingen

 

Gij zijt vast een vogel van hogere rang

Door uw zang en uw veren vol luister

En ook, zo meen ik, voorzeker het meest

Door uwe bewonderenswaardige geest

Die ook u laat zien in het duister

 

Bevoorrechte zanger, ik bid u, laat mij

Van nabij u bewonderen en loven

Het haantje vond smaak in die woorden zo zoet

En vloog naar beneden, de onnozele bloed

Werd gepakt dat de vederen stoven

 

Wel, wel, lachte Reintje, wat flinke profeet

Die niet weet waar de vosjes om komen

Gij zijt in 't geheel geen verstandige kop

Daarna at hij vlug den dwazerik op

Die gevlei had voor waarheid genomen

DE WONDERWORP
 

Een braaf en bloeiend jongeling

Verbond zich aan een brede kring

Van zogenaamde vrienden

Verdoolden, die een vreemde God

Verboden lust en zingenot

Van ganser harte dienden

 

Des jongelings deugd is ras ontaard

Hij valt en zondigt onvervaard

En durft op ondeugd bogen

Zijn bloei vergaat, de jongeling kwijnt

De hoop op zijn behoud verdwijnt

Hij ziet de dood voor ogen

 

Bij 't naderen van dien vege stond

Verzaakt, verfoeit hij 't vriendenbond

En smeekt in 't harte rouwe:

Ik heb u, moeder Gods als kind

Geëerd, gediend, oprecht bemind

Ach help mij, lieve Vrouwe

 

Dra komt een priester aangesneld

Hij heeft zich reeds aan 't bed gesteld

En zal zijn dienst beginnen

Daar treedt een heer in grote spoed      

Met ogen vurig rood als bloed

De krankenkamer binnen

 

De zieke schrikt en bloost en bidt

De priester die aan 't sterfbed zit

Beproeft hem te bedaren

Maar, die zo haastig binnenkomt

Hij spot en schimpt en grijnst en bromt

Met grimmige gebaren

 

En tot de jongeling sprak hij gram

Gij waant vergeefs de hellevlam

Te ontkomen door uw beden

U baat geen hulp der lieve Vrouw

Te laat is 't voor boete en berouw

Voor u geen zalige vrede

 

De priester spreekt op fiere toon

Geen vrees, geen vrees, vertrouw, mijn zoon

Berouwt oprecht uw zonden

Al komt uw leed, uw droefheid spa

Ge vindt vergeving en gena

In 's Heren heilige wonden

 

Bij God, bij God, mij hoort de buit

Gilt Lucifer verbolgen uit

De knaap blijft mij behoren

Hij heeft mij lijf en ziel verkocht

Hij heeft mijn dienst, mijn hulp verzocht

En dat met eed bezworen

 

En nu, nu zou hij trouweloos ……

Maar kom, sprak Satan, minder boos

Om niet zijn doel te missen

Ik stel als middel, heer pastoor

Ter schikking van de kwestie voor

Het lot te doen beslissen

 

Hij haalt gezwind uit wijde tas

Verborgen in zijn manteljas

Een drietal dobbelstenen

En schudt die met behendigheid

Al gaf de priester geen bescheid

Door beide handen henen

 

Ik waag geen ziel aan dobbelspel

Ik speel niet met de vorst der hel

In valse kunst doorslepen

Ik ken u lang, is 's priesters woord

Vergeefs, vergeefs, wat gij bekoort

Ik heb uw list begrepen

 

Gij weigert, roep de duivel kwaad

Bij al wat mij ten dienste staat

Ik zweer, dat zal u rouwen

Hij raast en tiert met hels gevloek

En tergt de priester die zo kloek

Hem in 't oog dorst schouwen

 

Daar spreekt een stem in 's priesters borst

Bestrijdt, valt aan, den hellevorst

Vertrouwen wil niet vrezen

Uw bede steeg ten hemeltroon

Verduur niet langer Satans hoon

U zal de zege wezen

 

Dies gaf de hemelkoningin

Den priester Gods, haar dienaar, in

Hij zal de kansworp wagen

Voorzeker dat des duivels kunst

Verwonnen wordt door 's hemels gunst

Die wonderbaar doet slagen

 

Des duivels vreugde steeg ten top

Hij neemt verrukt de stenen op

Bewust van zijn vermogen

Hij werpt en werpt, ach lieve God

Hij werpt zowaar het hoogste lot

Drie zessen, achttien ogen

 

Hij juicht en lacht in overmoed

De priester stolt van schrik het bloed

En smeekt, de handen samen

Ach lieve, lieve moeder Gods

Verminder Satans glorietrots

En wil mij niet beschamen

 

Terwijl hem Satan spottend tart

Herleeft de moed in 's priesters hart

De hoop op redding tevens

Hij werpt de stenen biddend neer

En telt, triomf, drie ogen meer

Een wonderworp, drie zevens

 

Dien uitslag verwachtte Satan niet

Verlegen en verbolgen ziet

De duivel om zich henen

Hij hield zich bij 't wonder stom

Men hoort van ver een dof gebrom

Heer Satan was verdwenen

 

De priester heeft zijn taak volbracht

En door des Heren liefdesmacht

En door Maria's bede

Trok jongelings’ ziel van zonden vrij

Ontrukt aan Satans heerschappij

Naar 't oord van zalige vrede

DE ZWAVELSTOKJES
 

Paulientje bleef in huis alleen

Haar ouders waren ergens heen

Ze was een echte lachebek

En liep al zingend door ’t vertrek

 

Daar zag ze plots een doosje staan

Met zwavelstokjes volgelaân

O, riep Paulien, dat treft nu fijn

Wat zal dat heerlijk speelgoed zijn

 

En zo gezegd, en zo gedaan

Ze stak een zwavelstokje aan

Mop en Minet, het kattenpaar

Dat zag verwijtend op naar haar

 

Ze dreigden 't meisje met hun poot

Bedenk dat vader 't je verbood

Mio, miauw, mio, miauw

Och toe, Paulientje, laat het gauw

 

Maar nee, toch gaat Paulientje voort

Omdat de vlam haar zo bekoort

Die knetterend in de hoogte gaat

Zoals je ziet op deze plaat

 

Ze had een pret, die lachebek

En danste vrolijk door 't vertrek

Mop en Minet, het kattenpaar

Dat zag verwijtend op naar haar

 

Ze dreigden 't meisje met hun poot

Bedenk dat moeder 't je verbood

Mio, miauw, mio, miauw

Toe gooi het weg, Paulientje, gauw

 

O schrik, haar kleertjes vatten vlam

Och, dat ze ook aan dat doosje kwam

Daar brandt haar hand al, en haar arm

Paulientje krijgt het vreeslijk warm

 

Mop en Minetje schreiden

Zo droevig met hun beiden

O, kom te hulp, kom nu toch vlug

Straks vind je geen Paulientje terug

 

Miauw, mio, miauw, mio

Mop en Minet ze huilden zo

Verbrand is 't meisje, o wat naar

Dat arme kind, met huid en haar

 

Is tot een hoopje as vergaan

Alleen haar schoentjes bleven staan

Mop en Minetje schreiden

Zo droevig met hun beiden

 

Mio, miauw, mio, miauw

Dat zij het ook niet laten wou

We zeiden 't haar wel honderd keer

Nooit zien we nu Paulientje weer

DRAAI HET WIELTJE NOG EENS OM
 

Draai het wieltje nog eens om

Klap eens in de handjes

Zet de handjes in de zij

Op je bolletje allebei

Zo varen de scheepjes voorbij

 

De handjes hoeven niet stil te staan

Die moeten maar in de ronde gaan

Omhoog in de zij

En als we weer naar school toe gaan

Staan we in de rij

Als we weer naar huis toe gaan

Is de juffrouw blij

DRIE KEEZEN
 

Oom Kees is mijn peetoom, dus Keesje ben ik

En 'k ben met mijn peetoom wat best in mijn schik

Geen oom die zo goed is en hartelijk als hij

Ik houd veel van oom en hij houdt veel van mij

 

Hij helpt mij bij 't Ieren, hij deelt vaak mijn spel

Als hij mij iets uitlegt, begrijp ik het snel

Hij neemt op de wandeling dikwijls mij mee

Wij horen zo echt bij elkander, wij twee

 

Onlangs bracht mijn oompje, wat was ik dolblij

Een pracht van een keeshondje mede voor mij

En sprak: al wat goed is bestaat er uit drie

Nu, Keesoom en Keesneef en Keeshond zijn drie

 

Ik sprong en ik danste van vreugde in het rond

Ik had al zo dikwijls verlangd naar een hond

Nooit ben 'k in mijn leven zo blij ooit geweest

Als toen met dat aardige vriendelijke beest

 

Hier is zijn portret, is 't geen snoes van een dier

O, 'k heb in mijn Keesje het grootste plezier

En nu gaan drie Keezen uit wandelen voortaan

Waar Keesoom en Keesneef zijn, is Keeshond vooraan

DRIE SCHUINTAMBOERS
 

Drie schuintamboers, die kwamen uit het oosten

Drie schuintamboers, die kwamen uit het oosten

Van je rom bom, wat maal ik er om

Die kwamen uit het oosten, rom bom

 

Een van de drie zag daar een aardig meisje

Een van de drie zag daar een aardig meisje

Van je rom bom, wat maal ik er om

Zag daar een aardig meisje, rom bom

 

Zeg meisjelief, mag ik met jou verkeren

Zeg meisjelief, mag ik met jou verkeren

Van je rom bom, wat maal ik er om

Mag ik met jou verkeren, rom bom

 

Zeg jongeman, dat moet je vader vragen

Zeg jongeman, dat moet je vader vragen

Van je rom bom, wat maal ik er om

Dat moet je vader vragen, rom bom

 

Zeg ouwe heer, mag ik je dochter trouwen

Zeg ouwe heer, mag ik je dochter trouwen

Van je rom bom, wat maal ik er om

Mag ik je dochter trouwen, rom bom

 

Want zij is de schoonste aller vrouwen

Want zij is de schoonste aller vrouwen

Van je rom bom, wat maal ik er om

De schoonste aller vrouwen, rom bom

 

Zeg jongeman, zeg mij wat is je rijkdom

Zeg jongeman, zeg mij wat is je rijkdom

Van je rom bom, wat maal ik er om

Zeg mij wat is je rijkdom, rom bom

 

Mijn rijkdom is, daar wil ik niet om jokken

Mijn rijkdom is, daar wil ik niet om jokken

Van je rom bom, wat maal ik er om

Een trommel met twee stokken, rom bom

 

Neen schuintamboer, m'n dochter kun je niet krijgen

Neen schuintamboer, m'n dochter kun je niet krijgen

Van je rom bom, wat maal ik er om

Mijn kind kun je niet krijgen, rom bom

 

Zeg ouwe heer, ik heb nog iets vergeten

Zeg ouwe heer, ik heb nog iets vergeten

Van je rom bom, wat maal ik er om

Ik heb nog iets vergeten, rom bom

 

Mijn vader is Groothertog van Brittanje

Mijn vader is Groothertog van Brittanje

Van je rom bom, wat maal ik er om

Groothertog van Brittanje, rom bom

 

Mijn moeder is de koningin van Spanje

Mijn moeder is de koningin van Spanje

Van je rom bom, wat maal ik er om

De koningin van Spanje, rom bom

 

Zeg jongeman, jij mag mijn dochter trouwen

Zeg jongeman, jij mag mijn dochter trouwen

Van je rom bom, wat maal ik er om

Je mag mijn dochter trouwen, rom bom

 

Neen, ouwe heer, je mag je dochter houden

Neen, ouwe heer, je mag je dochter houden

Van je rom bom, wat maal ik er om

Je mag je dochter houden, rom bom

DRIE STOUTE EENDJES
 

Drie kleine stoute eendjes

Die plaagden poesjenel

Ze trapten op haar pootjes

En pikten in haar vel

 

Ze hapten in haar staartje

En waren erg brutaal

Woef, woef, daar kwam een hond aan

En de eendjes aan de haal

DUBBELE JAN
 

Dubbele Jan die ziede gij niet meer op de kermis staan

Hij is er met zijn wagentje vandoor gegaan

 

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde gij hene gevaren

Jan, Jan, waar zijde gij heen gegaan

 

Voor zijn karretje liep er een ouwe merrie mee

Die gisteren de mallemolen draaien dee

 

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde gij hene gevaren

Jan, Jan, waar zijde gij heen gegaan

 

Boven erop daar stond zijn ouwe tingeldoos

Die speulde schoner dan de meeste radio's

 

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde gij hene gevaren

Jan, Jan, waar zijde gij heen gegaan

 

Zoek die Jan vanavond in de maneschijn

Want zonder Dubbele Jan kan 't geen kermis zijn

 

Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde gij hene gevaren

Jan, Jan, waar zijde gij heen gegaan

DUIVEL IN EEN DOOSJE
 

Och buurman, kom, och help, och help, och buurvrouw, kom toch gauw

Zo riep des dokters dienstmaagd luid op straat tot man en vrouw

Maar kind, wat is er toch te doen, is 't in uw keuken brand

Och neen, veel erger, kom toch gauw, 'k verlies nog mijn verstand

 

Dra kwam op 't gillen van de maagd een hele burgerschaar

Die voor het huis nieuwsgierig vroeg naar de oorzaak van het misbaar

De buurman met z'n wederhelft ging 't eerst de gangdeur in

Waar de arme dienstmeid radeloos zich weerde als een zottin

 

Daar, in dat doosje zit hij in, och, och, ik ben zo bang

De dokter gaat met Satan om, ik dacht het al wel lang

Wat praat je meid, geef hier dat ding, zei buurman, en de doos

Bekeek hij met een vorsersblik, doch slechts een korte poos

 

Want spoedig wierp hij 't hele ding op tafel neer vol schrik

'k Verzaak u Satan, riep hij luid, 't is waarlijk Heintje Pik

Zijn vrouw, nieuwsgierig en toch bang, keek ook maar sloeg een kruis

Nu had ze 't duidelijk gezien, de duivel was daar thuis

 

En inderdaad, zij zag een dier, een monster op en top

Met ogen als 'n rijtuigwiel, met ruig begroeide kop

Zijn staart, met stekels lang en scherp, bewoog snel op en neer

En klauwen had het, krom en fel, wel vijftig of nog meer

 

En als een vuurtje ging het rond door weldra heel de stad

Dat dokter Knap, de duivel zelf tot huisgenoot bezat

De volkshoop groeide zienderoog, want 't was nu buiten kijf

Met eigen ogen kon men zien de vorm van Satans lijf

 

Daar komt van verre, doodbedaard, de dokter uit de soos

Wat is dat, zo mokt hij, voor mijn huis, en bijna werd hij boos

Ha, riep een snijder uit de hoop, gij gaat met Satan om

Wat, ik met Satan, goede man. Kijk, kijk, hij houdt zich dom

 

Maar mensen, laat mij dan toch door en wijs me wat ge ziet

Mijn huis staat open voor elkeen, maar voor den duivel niet

Men laat hem door, waar is sinjeur, daar, daar wordt hij bewaard

Daar zit hij met z'n ruige kop en kronkelende staart

 

Oooh, riep de dokter, zit hij daar, wel, da 's mijn microscoop

Waarin een heuse duizendpoot al sinds vanmorgen kroop

Hij lichtte het op en 't beestje liep, gelijk een duizendpoot

Gewoon is met z'n vlugge tred, te lopen in de goot

 

De meid had 't doosje straks zien staan, vlug eventjes gegluurd

Maar ach, wat schrok zij van die blik, tot angst en schrik der buurt

De mensen dropen eindelijk af, maar lang nog bracht de faam

In ene adem dokter Knap en Heintje Pik tesaam