Terug

 

 

A B C
D E F
G H I
J K L
M N O
P Q R
S T U
V W X
IJ Z blanko

Zoeken

 

KLIK OP EEN TITEL OM TE OPENEN
KLIK NOGMAALS OM TE SLUITEN

H

HANDJES DRAAIEN
 

Handjes draaien

Koekenbakkenvlaaien

Handjes draaien

Koekenbakkenvis

Je kunt het niet geloven

Hoe lekker of dat is

HANDJES WASSEN
 

Wie zijn handjes schoon wil wassen

Moet ze wassen met elkaar

't Baat je niet, probeer het maar

Om met een voor een te plassen

Als je ze niet samenwrijft

Wed ik dat er vuil aan blijft

 

Was je dan zo 't een met 't ander

Leer eruit, dat vroeg of laat

't In de wereld ook zo gaat

Helpen moeten wij elkander

Wie maar werken wil voor loon

Krijgt zijn handen immer schoon

HANS KIJK-IN-DE-LUCHT

Dit is de wonderlijke klucht

Van Hans die steeds keek in de lucht

Altijd door liep hij te dromen

Van vogels, bloemen en van bomen

 

Maar wat er vóór hem uit geschiedt

Dat merkt ons domme Hansje niet

Kijk toch vóór je Hans, want heus

Straks stoot je nog geducht je neus

 

Er kwam een hondje aangestapt

Hans had er bijna op getrapt

Want onze vriend, dat kun je geloven

Tuurde natuurlijk weer naar boven

 

Niemand die ons Hansje riep

Dat er iets voor zijn voeten liep

En zo rolden Hans en hond

Met hun beiden op de grond

 

Met zijn schooltas in zijn hand

Ging Hans eens langs de waterkant

Weer staarde Hansje in de lucht

Naar een paar vogels in de vlucht

 

Drie vissen zagen hem daar gaan

Regelrecht op 't water aan

Ze dachten: o wat doet hij dom

Maar vissen zijn nu eenmaal stom

 

Kunnen niet roepen: Jongen, vlug

Trek toch gauw je voet terug

Het was te laat …… daar had je 't al

Ons Hansje plompte van de wal

 

Twee mannen zagen hem net gaan

Hardlopend kwamen zij eraan

En hebben toen met lange stokken

Hans weer op de kant getrokken

 

Kijk, daar staat ons Hansje nou

Klappertandend van de kou

Rillend, bevend, in een plas

In de verte drijft zijn tas

 

't Water drupt uit al zijn kleren

Dat zal Hans een lesje Ieren

De drie visjes zien hem staan

Staren hem meewarig aan

 

Zeggen: Hansje, wees verstandig

Doe nou nooit meer zo onhandig

Loop je voortaan over straat

Kijk dan altijd waar je gaat

HANSJE EN DE MUTS
 

Hansje, knipperdolletje

Die zat laatst aan de dijk

Hij krabde op zijn bolletje

Zijn mutsje viel in ’t slijk

 

Daar kwam een meisje aangelopen

Hansje, wil je je muts verkopen

Nee griet, domme griet

Mijn muts, nee die verkoop ik niet

HARTENKONING
 

Een oude grijze grappenmaker

Die voor het vuur te peinzen zat

Vertelde aan z'n brave vrouwtje

Hoe of hij eens geboemeld had

 

Terwijl je mij zo goed vertrouwde

En trots was op je kuise man

Heb ik je menigmaal bedrogen

Maar och, daar wist jij nooit iets van

 

Zeg, weet je nog die verre reizen

Als ik je dagenlang verliet

Wanneer je mij wanhopig kuste

En achterbleef met je verdriet

 

Bij al die verre drukke zaken

Had ik mijn trouwring nimmer 'an

Jij dronk hier thee, ik ginds champagne

Maar och, daar wist jij nooit iets van

HEER OLIFANT
 

Heer Olifant, hoe oud zijt gij

Vijftig jaar ten naaste bij

Vijftig jaar, is 't heus waar

O ja, vraag 't mijn meester maar

Geluk; en waar komt gij vandaan

O, ik heb 'n verre reis gedaan eer ik hier kwam

Laat ik eens kijken, mijn vaderland is Amerika

't Is daar wel ééns zo warm als hier

En ik woonde daar met veel plezier

 

Zo, en waarom bleeft ge daar dan niet

Omdat men mij geen vrijheid liet

Ik werd gevangen en ik moest mee

Al schreeuwde ik honderd maal

O wee

Arm dier; zeg en hebt ge 't hier wel goed

O ja, hooi krijg ik hier in overvloed

En als ik mijn kunstjes aardig doe

Dan nog wel brood en koeken toe

 

En welke kunstjes kent ge dan

Ik dans, dat geen jongen

Ooit na zal doen mijn sprongen

Ik drink met mijn lange snuit

Alles zonder morsen uit

En gooit mijn meester z'n zweepje neer

Dan geef ik het hem handig weer

In 't kort: ge zult verwonderd staan

Als ge mij kunsten maken ziet gaan

 

O, doe toch spoedig wat ge hebt gezeid

Want wij branden van nieuwsgierigheid

HELDER IN DE KELDER
 

Helder in de kelder

Boter bij de vis

Meisje, doe de deur eens open

En kijk eens wie er is

 

Daar is een arm meisje

Om een stukje brood

Laat ze dan maar binnenkomen

Anders gaat ze dood

 

Meisje ging naar boven

Om een stukje brood

Toen ze weer beneden kwam

Was het meisje dood

HERTOG JAN
 

Toen de Hertog Jan kwam varen

Te peerd parmant, al triomfant'

Na zevenhonderd jaren

Hoe zong men te alle kant

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

Na zevenhonderd jaren

In dit edel Brabants land

 

Hij kwam van over 't water

De Scheldevloed, aan wal te voet

't Antwerpen op de straten

Zilver' veren op zijn hoed

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

't Antwerpen op de straten

Leren leerzen aan zijn voet

 

Och Turnhout, stedeke schone

Zijn uw ruitjes groen, maar uw hertjes koen

Laat de Hertog binnenkomen

In dit zomers vrolijk seizoen

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

Laat de Hertog binnenkomen

Hij heeft een peerd van doen

 

Hij heeft een peerd gekregen

Een schoon wit peerd, een schimmelpeerd

Daar is hij opgestegen

Die ridder onverveerd

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

Daar is hij opgestegen

En hij reed naar Valkensweerd

 

In Valkensweerd daar zaten

Al in de kast, de zilverkast

De guldenkoning zijn platen

Die werden aaneen gelast

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

De guldenkoning zijn platen

Toen had hij een harnas

 

Rooise boeren, komt naar buiten

Met de grote trom, met de kleine trom

Trompetten en kornetten en de fluiten

Want de Hertog komt weerom

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

Trompetten en kornetten en de fluiten

In dit Brabants Hertogdom

 

We reden allemaal samen

Op Oirschot aan, door een kanidasselaan

En Jan riep: In Godes naam

Hier heb ik méér gestaan

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

En Jan riep: In Godes naam

Reik mij mijn standaard aan

 

De standaard was de gouwe

Die waaide dan, die draaide dan

Die droeg de leeuw meê klauwen

En wij zongen alle man

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

Die droeg de leeuw meê klauwen

Ja, de leeuw van Hertog Jan

 

Hij is in Den Bosch gekommen

Al in de nacht, en niemand zag 't

En op de Sint Jan geklommen

Daar ging hij staan op wacht

Harba lorifa, zong de Hertog

Harba lorifa

En op de Sint Jan geklommen

Daar staat hij dag en nacht

HET DANKBARE MUISJE
 

Eens, toen een grote sterke leeuw

Te slapen lag in 't bos

Liep een brutale, kleine muis

Vlak voor zijn neus door ’t mos

 

De leeuw schrok op en met één slag

Was 't muisje in zijn klauw

Ik zal je Ieren, kleine snaak

Mij ben je niet te gauw

 

Zo brult de leeuw, maar 't muisje bidt

Ach laat me toch met rust

Wat geeft jou één kleine muis

Als je er wel honderd lust

 

En bovendien, als jij eens komt

In groot gevaar of nood

Dan help ik jou zoveel ik kan

Getrouw tot in de dood

 

Nadien werd eens de grote leeuw

Gevangen in een strik

Hij kon niet los, hoe hard hij trok

Het touw was veel te dik

 

Zijn brullen werd door muis gehoord

Die liep gauw naar hem heen

Ze zei: Blijf maar bedaard mijn vriend

Ik maak je vrij, meteen

 

Zij knabbelde in korte tijd

Het dikke touw aan stuk

En zei: Ziezo, mijnheer de leeuw

Ik wens je veel geluk

 

Dat had je zeker niet gedacht

Toen je mij in vrijheid liet

'n Muis kan toch, al is ze klein

Soms veel, zoals je ziet

HET DANKBARE ROOSJE
 

Roosjelief wat deert je toch

Waarom laat ge uw blaadjes hangen

Heb je honger, heb je dorst

Zeg mij, wat is je verlangen

 

't Is zo heet hier in de zon

En geen wolkje komt mij drenken

Daarom ben ik zo bedroefd

Wilt ge mij wat water schenken

 

't Meisje is terstond bereid

En besproeit de droge knopjes

Bloem en blad met frisse dropjes

't Roosje geurt van dankbaarheid

HET GESCHENK
 

Hij trok het schuifke open

Het knaapje stond aan zijn zij

En zag het uurwerk liggen

Och grootvader, geef het mij

 

Ik zal 't u wel geven

Toekomende jaar misschien

Als gij wel leert en braaf zijt

Zei de oude, wij zullen zien

 

Toekomend jaar, sprak het knaapje

O grootvader, maar dan zoudt

Ge lang reeds kunnen dood zijn

Ge zijt zo ziek en oud

 

En de oude man stond te peinzen

En hij dacht: het is wel waar

En zijn lange vingers streelden

Des knaapjes krullend haar

 

Hij nam het zilv'ren uurwerk

En de zware keten er bij

En lei ze in de gretige handjes

't Komt nog van uw vader, sprak hij

 

Daar was een grafje gedolven

De scholieren stonden er rond

En een oude man boog met moeite

Nog ene knie naar de grond

 

Het koele morgenwindje

Speelde om zijne haren zacht

Het gele kistje zonk neder

Arm knaapje, wie had dat gedacht

 

Hij keerde terug naar zijn woning

De oude vader, en weende zo zeer

En lei het zilv'ren uurwerk

In 't oude schuifke weer

HET HUIS VAN HEESBEEN
 

Het huis van Heesbeen, stilaan verkommerd en verlaten

En grauw geworden door de tijd

Tussen nieuwe huizen en straten

Uit de na-oorlogse woningstrijd

Stationstraat, je bent niet meer wat je was

Wie herinnert zich nog de bomen en het gras

Dat daar eens heeft gegroeid?

Het werd verdorie uitgeroeid

 

Heesbeen, Stationstraat, grijs geworden huis

Je winkelbel, je trapje op

Naar het opkamertje, stoot niet je kop

Je achterom, je waterput, je frambozenstruiken

Het kon er zo heerlijk naar petroleum en klompen ruiken

Je keukentje, twaalf aardappelen lang

En op weg naar de plee, de smalle gang

De kamer met de bedsteden, de platte buis

De bank bij de ramen, je stapte er zo doorheen uit het huis

Het kelderke, ach wat een stof tot rijmen

Over het huis van Heesbeen, Stationstraat, Vlijmen

 

Dit gedicht werd gemaakt door Annie Heesbeen voor
de 80e verjaardag van Anna Heesbeen op 23-06-1973.

HET KEFFERTJE
 

Hoor dat kleine ding eens keffen

Hondje, wel wat scheelt eraan

Heeft er iemand van de buren

Jou wat leed of kwaad gedaan

 

Kom, ga in je mandje liggen

Nog al blaffen, wat is dat

Ha, nu zie ik het mijn jongen

Daar is weer die vreemde kat

 

Stoute poes, wil jij wel heengaan

Moeder houdt er ook niet van

Dat je hier zo ligt te snoepen

Alle melk is uit de kan

 

En het brood dat ik vanmorgen

Nog voor Fannie had bewaard

Kijk, daar ligt het afgeknabbeld

In een hoekje van de haard

 

Pak je weg, jou stoute deugniet

En kom hier niet weer

Poesje zet het op een lopen

En 't hondje legt zich rustig neer

HET KWEZELKEN
 

Zeg kwezelken wilde gij dansen

Ik zal u geven een ei

Wel neen ik, zei dat kwezelken

Van dansen ben ik vrij

En 'k kan niet dansen

En 'k mag niet dansen

Dansen is onze regel niet

Begijntjes en kwezelkens dansen niet

 

Zeg kwezelken wilde gij dansen

Ik zal u geven een koe

Wel neen ik, zei dat kwezelken

Van dansen word ik te moe

En 'k kan niet dansen

En 'k mag niet dansen

Dansen is onze regel niet

Begijntjes en kwezelkens dansen niet

 

Zeg kwezelken wilde gij dansen

Ik zal u geven een peerd

Wel neen ik, zei dat kwezelken

Dat is mij 't dansen niet weerd

En 'k kan niet dansen

En 'k mag niet dansen

Dansen is onze regel niet

Begijntjes en kwezelkens dansen niet

 

Zeg kwezelken wilde gij dansen

Ik zal u geven een man

Wel ja ik, zei dat kwezelken

'k Zal dansen al wat ik kan

Ik kan wel dansen

Ik mag wel dansen

Dansen is onze regel wel

Begijntjes en kwezelkens dansen wel

HET MAANTJE
 

Het maantje tuurt, 't maantje gluurt

Door de vensterruiten

Weet je wat het vragen wil

't Is in de kamer zo stil, zo stil

 

Zijn de kindertjes al naar bed

Of lopen ze nu nog buiten

Lieve maan, kijk eens aan

We liggen allang in de veren

 

Mooi, zegt 't maantje en lacht en lacht

'k Wens jullie allen goede nacht

Morgen heb je weer nieuwe pret

Dan kun je weer spelen en Ieren

HET MATROOSJE
 

Een vrolijk klein matroosje

Een ventje van stavast

Dat klom eens voor een pretje

Hoog boven in de mast

 

Zijn voetjes en zijn handjes

Die zag men aldoor hoger gaan

En boven in het topje

Daar bleef het ventje staan

 

Hij tuurde en hij tuurde

Naar alle kanten toe

En eindelijk riep hij vrolijk

Daar heb je 't huis van moe

 

Toen stopte hij voorzichtig

Zijn verrekijker in zijn zak

En sprong weer vlug en vrolijk

Omlaag weer met gemak

HET MES
 

Mietje, Mietje, pas toch op

Wat doe je met dat mes

Speel liever met je mooie pop

Of brei, of leer je les

 

En wacht nog maar een ogenblik

Dan komt je moeder weer

Die snijdt voor jou de peperkoek

Gauw, leg dat mes toch neer

 

Maar nee, zij gaat met snijden door

Daar helpt geen zeggen hoor

Het mes schiet uit, door niets gestuit

En snijdt de vinger door

 

Daar rolt het vingertje op de grond

Het handje blijft eraan

Wat Mietje, nu gedaan

Dus kindertjes onthoudt de les

Blijft met de handjes van het mes

HET MUISJE
 

Wat hoor ik in mijn huisje

Wat hoor ik in mijn kast

Mij dunkt, het is een muisje

Dat is zo'n rare gast

 

Muisje, muisje, rep je wat

Anders zal 't je slecht bekomen

Want daar ginder loopt de kat

Die is niet in te tomen

 

Daar gaat de deur al open

Miauw, miauw, de poes in huis

Toe muisje, ga toch lopen

Waar is onze kleine muis

HET ORGELTJE
 

Twee kindertjes gingen naar school toe

Ze liepen zo lustig en blij

Daar hoorden ze van verre een orgel

Daar moesten zij even voorbij

En 't orgeltje speelde van ho, hi, ha, hei

De kinderen dansten erbij

 

De orgelman bleef maar aan ‘t draaien

De kindertjes dansten maar door

Daar klonk er van hoog uit de toren

Hen het negende uur in het oor

Toen holden ze weg met een angstig gezicht

Maar de deur van de school was al dicht

 

Ze stonden bedremmeld te kijken

Want straf zal hen vast niet ontgaan

Maar was de muziek niet gekomen

Dan zouden ze hier nu niet staan

En ‘t orgeltje speelde van ho, hi, ha, hei

De kindertjes huilden erbij

HET PORSELEINEN HONDJE
 

Ik heb een héél klein hondje

Niet groter dan mijn duim

Het heeft vier witte pootjes

Een staartje met een pluim

 

Het heeft twee bruine oogjes

Twee oortjes, vet als spek

En boven ieder oogje

Een donkerbruine plek

 

Het is zo'n aardig beestje

Zo snoeperig en zo klein

Ik mag er niet mee spelen

Want …… 't is van porselein

HET ROZENKNOPJE
 

Mijn schamele haard verdoofde, ik ben ziekelijk en 't is koud

In Gods naam, mijn zoontje ga, raap nog eens wat hout

Volgaarne, lieve moeder, maar eerst een kusje, kom

En 't minnend kindje keek nog aan 't deurtje knikkend om

 

God lone u, goede hemel bewaar hem voor verderf

Dat hij eens, als zijn vader het paradijs verwerf'

In 't einde zag de moeder haar blije zoontje weer

Hij stortte voor haar voeten een zware bussel neer

 

Hoor moeder, 'k vond een knaapje zo groot als ik, in 't woud

Hij kwam mij toe gehuppeld bij 't lezen van dit hout

Opeens verdween het knaapje, ons Here weet waarheen

Toen ik het wilde danken stond ik daar droef alleen

 

Nooit liegt ge kind, ik weet het, maar mogelijk hebt ge 't mis

Breng eens met u dat knaapje, dan weet ik wie hij is

Weer trok de lieve kleine naar 't ver gelegen woud

Weer hielp het vreemdelingske bij 't lezen van het hout

 

Zie moeder, lieve moeder, een zware bussel weer

En 't knaapje, 't lieve zoontje, verdween als weleer

't Gaf mij dit rozenknopje en sprak met hemellach

'k Zal ginder bij u komen als 't opengaat, goe'dag

 

De moeder zette het roosje in 't water, dankte God

Bezag haar bloempje dikwijls, gesloten bleef de bot

Maar op een frisse morgen vond zij de roos in fleur

Een traan kwam in haar ogen bij de aangename geur

 

't Wordt later en haar zoontje was nog niet opgestaan

Mijn beste, 't kind gaat komen, die tijding brengt zij aan

Zij loopt al naar het bedje, daar lag het zoete wicht

Nog nooit zo lief en blozend, zo hemels van gezicht

 

Zij kust het in vervoering, daar klom al 't morgenrood

Sta op mijn kind, maar hemel, het kind lag stijf en dood

Nu leeft het in de hemel bij 't knaapje van het woud

Bij 't knaapje dat hem hielp bij 't lezen van het hout

HET SNUFFELAARTJE
 

In de keuken ging ze snuffelen

Alle potjes keek ze na

En daar op het bovenste plankje

Stond een pot met gember, ja

 

Gember, o dat is een kostje

'n Heel klein, klein stukje maar

Als ze er bij kan, wacht zij weet het

Gauw een stoel en ze is al klaar

 

Nog een stoof en ze kan er even

Even met haar vinger in

Gauw 'n stukje er uit genomen

Ha, ze krijgt zowaar haar zin

 

Maar, zo denkt ze bij zich zelven

Zwarte gember, kan dat zijn

In de winkel ziet men immers

Ook meer kleuren in de wijn

 

Wip, daar ging het in haar mondje

En op 't eigen ogenblik

Spring zij van haar hoge plaats af

En ze geeft een gil van schrik

 

Moeder had haar af staan kijken

En zij sprak toen kort en goed

Wel, mijn aardig snuffelaartje

Smaakt die schoenensmeer niet goed

 

En kwam ons nieuwsgierig Aagje

Later in de keuken weer

Dan zei moeder: Zwarte gember

Smaakt precies als schoenensmeer

HET VROUWTJE VAN STAVOREN
 

Hoort vrienden, hoort een lied

Wat u duidelijk zal verklaren

Wat er eenmaal is geschied

Voor meer dan duizend jaren

Toen ‘t oud en grijs Stavoren

Nog bloeide op Neerlands grond

En van zijn macht deed horen

Door heel het wereldrond

 

Daar in die grote stad

Waar jaarlijks duizend schepen

Belaân met 's werelds schat

De havens in zag slepen

Daar woonde in roem en ere

Een rijke weduwvrouw

Wier voorbeeld ons doet Ieren

Hoe hoogmoed brengt tot rouw

 

Geen ijzer, neen, maar goud

Zo sprak zij, siert mijn woning

En 't huis voor haar gebouwd

Leek 't woonhuis van een koning

't Was al wat de ogen zagen

Vol vorstelijke praal

Men hoeft niet meer te vragen

De stoep was van metaal

 

De leuning was zeer schoon

Uit louter goud gedreven

De deurknop scheen een kroon

Als met paarlen omgeven

En brede, zilveren platen

Geklonken aan de grond

Bedekten alle straten

Zover haar woning stond

 

Daar treedt een zeekapitein

Haar bij de haven tegen

Wat, sprak zij, zal het zijn

Wat schoons hebt gij verkregen

Wat heerlijks brengt gij mede

Uit overzeesch gebied

Uw schip ligt op de rede

Maar hoe, gij antwoordt niet

 

'k Heb immers u belast

Het kostelijkst in te Iaden

Wat rondom de Oostzee wast

En 't oog hier kon verzaden

Wie zich aan prijs mag storen

'k Vraag nimmer wat het geldt

De weduwe van Stavoren

Zij niet teleurgesteld

 

'k Bracht tarwe naar uw zin

Het edelst wat wij vonden

Aan stuurboord kwam het in

Zoveel wij Iaden konden

Hoe, gilt ze, woest van zinnen

Hoe, tarwe, lage guit

Bracht gij ze aan stuurboord binnen

Zo werp ze aan bakboord uit

 

Helaas, het heerlijk graan

Werd in de vloed geworpen

Een grijsaard zag het aan

Uit een der naaste dorpen

Beef, zei hij, beef, o vrouwe

Misschien lijdt ge eens gebrek

Dat nooit dit stuk u rouwe

Zwijg, sprak ze, grijze gek

 

Ze lachte en greep een ring

En wierp met luid geschater

Terwijl ze henen ging

Hem weg in 't woelend water

Kijk, riep zij, dwaze kerel

Eer geeft de zee weerom

Deez' schone ring met paarlen

Eer ik tot armoe kom

 

Het duurde 'n dag of acht

Toen werd op haar verlangen

Een grote vis gebracht

Zo pas in zee gevangen

Maar sidderend zonk zij neder

Want reeds bij dierste snee

Vond zij de ring hier weder

Geworpen in de zee

 

Daar treedt een dienstknecht in

Uw schepen zijn verloren

De zee zwolg alles in

Gods wraak rust op Stavoren

Een andere knecht stuift binnen

En biedt een brief haar aan

God, roept ze, woest van zinnen

Mijn hoogmoed is gedaan

 

Beroofd van goed en geld

Veracht van die haar kenden

Was zij, zo ‘t geschiedboek meldt

Ten prooi aan alle ellende

Nog doet ‘t verhaal zich horen

De hovaardij tot les

Hoe het vrouwtje van Stavoren

Eens stierf als bedelares

 

Nog ziet men aan het strand

Zo rijk in vroeger jaren

De haven gans verzand

Een zee van halmen dragen

Maar ledig zijn de aren

Geen korrel lacht u aan

Als blijk wat hier voor jaren

Gods almacht heeft gedaan

 

Ja, hoogmoed wordt verneêrd

Is wisse val beschoren

Wij hebben het hier geleerd

Van het vrouwtje van Stavoren

Wilt vrienden, er dus aan denken

Wat ook het lot u biedt

‘t Is God, die 't u wil schenken

En hoogmoed past ons niet

HET WEVERTJE
 

Het wevertje zat op zijn getouw

Hij wist niet wat hij weven zou

 

Hij weefde een ditje, hij weefde een datje

Hij weefde een kussentje onder zijn gatje

HET WITTE KLEEDJE
 

Kleine Daatje had een kleedje

Dat nog witter was dan sneeuw

Hiermee viel ze in de modder

En ze gaf een harde schreeuw

 

Ach, mijn kleedje is bedorven

Riep zij, 't is geheel bevlekt

Ach, nu is mijn mooie kleedje

Gans met modder overdekt

 

Maar haar moeder zei haar vriendelijk

Daatje, waarom dat geween

't Kleedje wordt met weinig moeite

Net zo schoon weer als voorheen

 

Met wat zeep en regenwater

Gaan er alle vlekken uit

Spoedig dus maar flink gewassen

't Gaat er o zo makkelijk uit

 

Maar had gij uw ziel bezoedeld

't Zuivere onschuldkleed besmeurd

Ach, dan werd er om die reden

Dag aan dag door jou getreurd

 

Want mijn kind, de ziel te zuiveren

Dat gaat zo gemakkelijk niet

Wil dus steeds de zonde vluchten

Dan ontwijkt ge veel verdriet

HOE DE VOGELS EEN KONING KOZEN
 

Eens kwamen de vogels op hoger bevel

Van heinde en verre gevlogen, zeer snel

In 't dal naast het water, daar streken ze neer

En gierden en zwierden druk henen en weer

 

Heer Arend kwam 't laatste gedaald van zijn rots

Hij scheen op zijn sterkte een heel beetje trots

Straks vraagt hij om stilte, en spreekt tot de schaar:

Ik zie u mijn vrienden, verheugd bij elkaar

 

Ik heb iets te zeggen van 't hoogste belang

En wens dat gij allen wat staakt uw gezang

Er werd toen opeens geen geluid meer gehoord

Heer Arend, hij immers, verlangde het woord

 

De dieren, zij hebben hun koning in 't woud

De eiken wordt genoemd de koning van 't hout

De bloemen, zij noemen de roos koningin

En wij, zonder koning, zijn wij dan zo min

 

Neen, neen, edele vogels en vrienden te gaar

Wij kiezen ook heden een koning, nietwaar

Wie 't hoogste kan vliegen, die is onze heer

Spant uit dies uw wieken en streeft naar de eer

 

Het sein werd gegeven, de wedstrijd begon

En raad nu eens vrienden wie of het wel won

't Is de arend zo denkt ge, doch wees niet te snel

En luister eens verder naar hetgeen ik vertel

 

De adelaar vloog statig een heel eind omhoog

De leeuwerik was spoedig geheel uit het oog

Ook 't zwaluwtje deed er haar best voor de kroon

Maar alle drie werden zo moe en zo loom

 

En toen ze reeds hijgden, met open mond

Toen klapwiekte de arend nog fris in het rond

De toppen der bergen liet hij aan zijn voet

Hij wilde naar 't scheen zelfs de zon tegemoet

 

Op 't laatst bleef hij zweven, en fier zwol zijn borst

Erken, riep hij, vogels erken uwe vorst

Nee, nee, klonk het eensklaps met piepende stem

Wie was dat, wie durft het te winnen van hem

 

Een snoeperige kleuter kwam nu voor de dag

't Was aardig, zelfs de arend schoot luid in een lach

De snaak kwam gekropen, uit 't dons van zijn vlerk

En vloog nu fluks hoger in het heldere zwerk

 

De vogels, zij allen, ze schaterden het uit

En kozen tot koning die aardige guit

Sinds noemt men hem koning, met winter ervoor

Want zie, hij brengt altoos de sneeuwtijd hier door

HOLLE-BOLLE-GIJS
 

Heb je wel gehoord van die holle-bolle-wagen

Waar die schrokkerige Gijs op zat

Die kon schrokken

Grote brokken

Een koe en een kalf

Een paard anderhalf

Een os en een stier

En zeven tonnen bier

Een schip met rapen

Een kerk vol schapen

En nog kon Gijs

Van de honger niet slapen

HOP MARJANNEKE
 

Hop Marjanneke

Stroop in 't kanneke

Laat de poppekes dansen

Gisteren was de prins in 't land

En nu die kale fransen

HOP, HOP, PAARDJE
 

Hop, hop, paardje

Wij rijden naar Den Bosch

Wat brengen we dan mede

Koekjes met vier hoekjes

Allemaal voor Judith

En Ellie die krijgt niks

HU, HU, PAARDJE
 

Rudi sprong op 't hobbelpaard

Zwaaide met zijn hand

Dag mama, ik rijd gezwind

Naar Luilekkerland

 

Veel plezier, riep mammie toen

Breng wat voor me mee

Koekjes of wat chocola

Dat smaakt bij de thee

 

'k Breng een volle trommel mee

Lacht de kleine Ru

Voort nu paardje, in galop

Steeds rechtdoor, hu, hu