Terug

 

 

A B C
D E F
G H I
J K L
M N O
P Q R
S T U
V W X
IJ Z blanko

Zoeken

 

KLIK OP EEN TITEL OM TE OPENEN
KLIK NOGMAALS OM TE SLUITEN

N

NAAR DE BAKKER
 

Jantje en Keesje die gingen naar de bakker

Jantje droeg het mandje en Keesje het geld

Jantje zei de boodschap en Keesje had heel netjes

De centjes op de toonbank neergeteld

 

Jantje en Keesje die kregen van de bakker

Allebei een koekje, dat lusten ze wel

Jantje zei: Hap, hap, en 't koekje was verdwenen

Doch Keesje zei beleefd: Ik dank u wel

NAAR DE HEMEL
 

Het is zo koud, het is zo guur

En toch brandt in den haard geen vuur

Kom, ga het bos eens in mijn kind

En zoek of je wat hout daar vindt

 

Zo sprak op een decemberdag

Een arme vrouw, die nederlag

Op 't ziekbed, door de koorts geprest

Tot 't enigst kindje dat haar rest

 

En 't kind, hoe hongerig ook en koud

Ging straks de weg op naar het woud

Daar zocht het hier en daar een rijs

Bedolven onder sneeuwen ijs

 

Zij vond helaas zo weinig hout

Ze werd zo moe, zo zwak, zo koud

Op 't eind zeeg zij vermoeid ineen

Juist drong de maan door 't donker heen

 

En 't arme kind viel op haar vracht

In slaap, en sluimerde, o zo zacht

Toen had ze koude, noch verdriet

En kende ze ook de honger niet

 

Zij droomde toen van Jezus zoet

Hij zag haar minzaam aan en goed

En zond van zijnen hemeltroon

Een engel tot haar, rein en schoon

 

En de engel wenkte met zijn hand

En zei: Lief kind, volg mij naar 't land

Waar altijd, altijd vreugde u wacht

Kom, zeg deez' aarde goede nacht

 

En 't kind, dat volgde hem zo blij

Het vloog omhoog naar de engelenrij

En sprak tot onze lieve Heer:

Ik min u innig, innig teer

 

Des morgens vond men 't kindje dood

Haar lipjes waren blauw als lood

En om haar mondje speelde 'n lach

Alsof men haar nog levend zag

 

De moeder had de ganse nacht

Vol angst op 't lieve kind gewacht

Toen bracht men in de morgen haar

Het lijkje, liggend op een baar

 

Maar lang was hare droefheid niet

Zij stierf weldra van zielsverdriet

En zag toen boven bij Gods troon

Haar kindje weer zo blij, zo schoon

 

O, kinderen, wie dit versje leest

Houdt steeds het woordje voor de geest

Hetzij ge weinig hebt of veel

Geef steeds de arme graag zijn deel

NAAR DE TANDARTS
 

Eduardje heeft het land

Want hij heeft een zieke tand

Hij moet naar de dokter toe

Woensdagmiddag met zijn moe

 

Alle kinderen spelen blij

Op de straat en in de wei

Eduard loopt stil op straat

Nu hij naar de tandarts gaat

 

Moeder trekt al aan de bel

Eduard krijgt kippenvel

In de gang, bij ieder pasje

Valt een traantje op zijn jasje

 

Maar het viel toch heus wel mee

Want de dokter zei: Een …… twee

En toen viel het zieke tandje

Zomaar in het prullenmandje

NACHT
 

't Was nacht, 't was nacht

't Was midden in de nacht

Toen hoorden wij een vreselijke slag

Het waren zeven vlooien

Drie witte en vier rooien

De witte waren zeven meter lang

Ze trokken vaders onderbroekje an

Een broek met gouden knopen

Die gingen ze verkopen

Aan wie, aan wie

Aan koning Willem Drie

NACHTVERBLIJF GEVRAAGD
 

Het was in de winter, zo koud en zo guur

't Was eenzaam op pleinen en straten

Twee kinderen liepen in 't nachtelijk uur

Te dwalen, van ieder verlaten

 

Zij rilden van kou door al hunne leden

En de ijzel kleefde aan hunne kleren

Toch liepen zij voort, schoon met wankele schreden

De weg op naar de tempel des Heren

 

Ja, gaan wij, sprak de oudste, terstond naar Gods huis

Hij zal ons een schuilplaats verlenen

Hij is onze Vader en kent ook ons kruis

Hij ziet ook hoe bitter wij wenen

 

Hij is niet zo hardvochtig, als mensen dat zijn

Die zich over ons niet erbarmen

Nee, hij helpt ons zeker uit kommer en pijn

Kom, ijlen wij hem dus in de armen

 

Nauw' hadden zij dit gezegd, of zij spoedden erheen

Wat smart, zie, de deur is gesloten

Ach, riepen zij, Vader, hoor toch onze beên

Gij zult immers ons niet verstoten

 

Toen zetten zij zich op den drempel terneer

De slaap had hen eindelijk bevangen

De sneeuwvlokken stoven hoe langer hoe meer

En hadden met wit hen omhangen

 

Toch sliepen zij gerust in 't holst van de nacht

Geen honger of kou kon hen deren

Want reeds had een engel hen opwaarts gebracht

Naar de eeuwige woning des Heren

 

De nacht ging voorbij en de morgen brak aan

De heilige mis zou beginnen

De priester, met 't lot van de weesjes begaan

Droeg beiden op de armen naar binnen

 

Hij wrijft hen de slapen, maar hoe hij ook vaagt

Geen teken meer krijgt hij van leven

Zij hadden aan God ene schuilplaats gevraagd

En hij heeft er hen een gegeven