Terug

 

 

A B C
D E F
G H I
J K L
M N O
P Q R
S T U
V W X
IJ Z blanko

Zoeken

 

KLIK OP EEN TITEL OM TE OPENEN
KLIK NOGMAALS OM TE SLUITEN

V

VASTENAOVOND
 

Vrouwke, ‘t is vastenaovond

Ik kom niet thuis voor ‘t aovond

Dan heb ik nog een hoentje

Dè moet er ‘t aovond aan

 

En als dè hoentje niet koken wil

Dan tintelt mijnen duim

Dan gao ik naor de buren

Daor laot ik mijn potje schuren

 

Dan gao ik naor de Fransen

Daor laot ik mijn potje dansen

Hier unne stoel en daor unne stoel

Op iedere stoel een kussen

 

Vrouwke haouwt ouwen kinnebak toe

Of ik slao d'r unne spekkoek tussen

Tussen mijn neus en tussen mijn kin

Daor kan nog wel unne spekkoek in

 

Vrouw, gé-me-de-Iange

Laot de korte mer hangen

Snij mer diep, snij mer diep

Snij mer in munne vinger niet

 

Ik heb gezongen en niks gehad

Snij mer ‘n stuk van ’t varkensgat

VERDWAALD
 

Ze waren tezamen het bos ingegaan

Klein Koosje en Willem, met Sientje vooraan

Ze zochten naar bloemen en bessen in 't bos

Ze rustten zo heerlijk op 't geurige mos

 

Ze liepen héél ver, 't was prachtig mooi weer

Tot Willem zei: Koosje, niet verder nu meer

Want moeder zei straks nog: Voor donker weer thuis

Dus Koosje en Sientje, nu vlug weer naar huis

 

Terug ging het drietal, wat duurde het lang

't Werd avond en duister, klein Koosje werd bang

En Sientje vroeg schreiend: Waar zijn wij dan toch

Zeg komen wij, Willem, voor 't nacht is er nog

 

Maar Willem wist ook niet waarheen hij moest gaan

Ze zetten zich neder, de nacht brak reeds aan

Wat waren ze treurig en droevig te moe

Luid riepen ze wenend: Ach vader, ach moe

 

Daar hoorden ze roepen: Koos, Willem en Sien

't Was vader en moeder en oom bovendien

Hier zijn we, zo juichten de kleinen vol vreugd

Wat waren ze blij, wat was moe verheugd

VIER WEVERKENS
 

Vier weverkens zag men ter botermarkt gaan

En de boter die was er zo diere

Zij hadden geen duit haast meer in hunne tas

En ze kochten één pond sa vieren

Schiet spoele sjerrebekke, spoelza

Djikke djakke, kerrekoltjes, klitsklets

En ze kochten één pond sa vieren

 

En als ze dat boterke hadden gekocht

Zij hadden er vier platelen

Zij spraken dat vrouwke zo vriendelijk aan:

Sa vrouwke en wilt het ons delen

Schiet spoele sjerrebekke, spoelza

Djikke djakke, kerrekoltjes, klitsklets

Sa vrouwke en wilt het ons delen

 

Het vrouwke dat sprak: Ja, dat zal ik wel doen

Ja, zo wel als een vrouwke vol eren

Want ik wete wel wat er de weverkens zijn:

En de weverkens zijn er geen heren

Schiet spoele sjerrebekke, spoelza

Djikke djakke, kerrekoltjes, klitsklets

En de weverkens zijn er geen heren

 

Wat zouden de weverkens heren zijn

Zij en hebben er huize noch erven

En kruipt er een muiske in hunne schapraai

Van honger zo moet het er sterven

Schiet spoele sjerrebekke, spoelza

Djikke djakke, kerrekoltjes, klitsklets

Van honger zo moet het er sterven

 

En als dan dat muiske gestorven zal zijn

Waar zullen zij het begraven

Al onder de weverkens hunne getouw

En het grafke zal rooskens dragen

Schiet spoele sjerrebekke, spoelza

Djikke djakke, kerrekoltjes, klitsklets

En het grafke zal rooskens dragen

VIJF BROERTJES I
 

Duimelot was in 't water gevallen

Fikfak had hem eruit gehaald

De Lange had hem droge kleren aangetrokken

Ringeling had hem in bed gelegd

En klein Pinkske had alles tegen moeders gezegd

VIJF BROERTJES II
 

Naar bed, naar bed, zei Duimelot

Eerst nog wat eten, zei Likkepot

Waar moet ik dat halen, zei Lange Jan

Uit grootmoeders kastje, zei Ringeling

Dat zal ik verklappen, zei 't Kleine Ding

VIJF BROERTJES III
 

Duimelot had een koe gekocht

Fikfak had haar thuisgebracht

De Lange had haar gestoken

Ringeling had de worst gemaakt

En klein Pinkske had alles opgegeten

VLEERMUIZENHEMEL
 

Moesje, lief moesje, kijk, kijk, wat is dat

Dat grote, dat hoge, dat vierkante gat

Wat hangt daar aan die latten te wiegen

Wat zijn dat voor muisjes die vliegen

 

Zo sprak vol verbazing een piepjonge muis

Die voor de eerste maal keek in de schoorsteen van 't huis

En moeder de muis lachte even

En begon toen verklaring te geven

 

Dit is onze hemel, kleine lekkerbek

Want met metworst en spek

Hang 't vol aan die latten

Ook zijn hier geen katers of katten

 

En wat je ziet vliegen, zo vlug en gezwind

Zijn hemelse muisjes, zijn vleermuisjes, kind

Pas op voor de kat en de kater

Dan word je ook een vleermuisje …….. later

 

De huiskat trad in na dit waarschuwend woord

De muizen verschrikken en spoeden zich voort

En poes zet zich neer voor het gaatje

En houdt met de kleine dit praatje:

 

Pas op voor de kat en de kater, zegt moes

En ik zeg het haar na, want je weet, ik ben poes

En poes speelt zo graag met een muisje

Kom liefje, kom uit je kluisje

 

Eruit springt de kleine, zo dartel en vlug

Vergeefs roept de moeder haar lieveling terug

En zit voor het gaatje te beven

Bij het zien van dit spel om het leven

 

De kat zet zich neer met loerende kop

En roerende staart, onverwacht springt zij op

Om 't trippelende muisje te tippen

Zij streelt het en …… laat het weer glippen

 

Och, fleemt zij, hoe lief en hoe aardig ben jij

Warempel, een vleermuisje haalt er niet bij

Toe, loop nu weer gauw naar je moesje

En breng haar dit zoentje, van poesje

 

Die taal maakt 't hart van de moeder zo week

Zij ziet hier geen vleitaal, geen valsheid of streek

Maar treedt voor den dag vol verlangen

Om als moeder ook pluimpjes te ontvangen

 

Gesnapt, zegt de wreedaard, die moeder en kind

Met klauwen omklemmend en krakend verslindt

Dus kinderen wil toch proberen

Je lesje hieruit te Ieren

VOGELNESTJE
 

Er schommelt een wiegje in 't bloeiende hout

Een wiegje met bloemengordijntjes

Dat hebben twee vogeltjes samen gebouwd

En zie eens hoe keurig en fijntjes

 

Als 't windeke speelt

De loverkens streelt

Dan schommelt het tedere wiegelijn mee

Als ‘t scheepje op deinende zee

 

In ‘t schommelend wiegje is 't wonder geschied

Uit de eitjes zijn jongen geboren

Nu zingt in verrukking het gaaike zijn lied

Een liedeke zoet om te horen

 

Hoe ‘t jubelt door 't hout

Hoe ‘t schatert door 't woud

En 't moederke dekt ze, van 't kwelen nooit moe

Met koesterende vleugeltjes toe

VOLHOUDEN
 

Alle woorden Ieren lezen

Die er in mijn boekje staan

Vaderlief, dat zal niet gaan

Dat moet wel onmogelijk wezen

Kijk eens, op één blaadje maar

Staan er honderd bij elkaar

 

Goede moed maar, beste jongen

'k Wed, eer 't jaartje is ten end

Dat ge ieder lesje kent

Van het eerste tot het leste

Jongen, zo ge vlijtig zijt

Leert ge veel in weinig tijd

 

Nu, dat woord ging niet verloren

't Ventje was vol goede moed

En hij las weldra zó goed

Dat 't een lust was om te horen

Nog voor 't einde van het jaar

Was hij met zijn boekje klaar

 

'k Moet je iets op 't harte drukken

Wil iets niet gemakkelijk gaan

Werk toch door, en houdt maar aan

Dan zal het je vast gelukken

Immers, als ge iets moeilijk vindt

Bedenk dat hij die volhoudt, wint

VUILE VINGERTJES
 

Onder de wol, 't hartje zo vol

Ligt snikkend kleine Jantje

Moeder is boos, en lusteloos

Woelt hij in ’t ledikantje

 

Handjes zijn vuil, hij groef een kuil in de tuin

Mamaatje heeft hem beknord

Dat mocht hij niet doen en ze gaf hem geen zoen

Nu ziet hij als hij slaperig wordt

 

Tien kleine vuile vingers

Aan twee handjes zwart als roet

Tien kleine vuile vingers

Waarmee hij veel ondeugends doet

 

Twee grote dikke tranen

Biggelen langs zijn wangen neer

En hij fluistert zachtjes, half in slaap

Mammie, Jantje doet 't nooit meer

 

Ook moeder droomt en ziet beschroomd

Aan 's hemelspoort klein Jantje

Stil blijft hij staan, dan klopt hij aan

Met 't vuile vieze handje

 

De engel die 't hoort, opent de poort

En zegt: Jantje, kom binnen mijn kind

Zijn je handjes ook zwart

Wit als sneeuw is je hart

 

Nu ontwaakt moeder plotseling en vindt

Tien kleine vuile vingers

Die haar strelen in 't gelaat

Vergeving vragend voor het kwaad

 

Zij wil ze niet meer missen

En vol liefde drukt ze ze aan 't hart

Die tien kleine vuile vingertjes

Aan twee handjes, vuil en zwart