Terug

 

 

A B C
D E F
G H I
J K L
M N O
P Q R
S T U
V W X
IJ Z blanko

Zoeken

 

KLIK OP EEN TITEL OM TE OPENEN
KLIK NOGMAALS OM TE SLUITEN

W

WAAR IN 'T BRONSGROEN EIKENHOUT
 

Waar in 't bronsgroen eikenhout, 't nachtegaaltje zingt

Over 't malsche korenveld 't lied des leeuw’riks klinkt

Waar de hoorn des herders schalt langs der beekjes boord

Daar is mijn Vaderland, Limburg's dierbaar oord!

 

Waar de breede stroom der Maas, statig zeewaarts vloeit

Weeld'rig sappig veldgewas kostelijk groeit en bloeit

Bloemengaard en beemd en bosch, overheerlijk gloort

Daar is mijn Vaderland, Limburg's dierbaar oord!

 

Waar der vad'ren schoone taal klinkt met held're kracht

Waar men kloek en fier van aard vreemde praal veracht

Eigen zeden, eigen schoon, 't hart des volks bekoort

Daar is mijn Vaderland, Limburg's dierbaar oord!

 

Waar aan 't oud Oranjehuis, 't volk blijft hou en trouw

Met ons roemrijk Nederland, één in vreugd en rouw

Trouw aan plicht en trouw aan God, heerscht van Zuid tot Noord

Daar is mijn Vaderland, Limburg's dierbaar oord!

WAT DE KLEINE ZOU VRAGEN
 

Mamaatje wandelt door de stad

Haar jongste aan de hand

Een kleine dreumes, bijna vier

Een allerleukste klant

 

Voor speelgoedwinkels blijft de guit

Bij voorkeur even staan

Want al die treintjes, bal en trom

Ze lokken hem zo aan

 

Bij een confectiemagazijn

Ziet hij in de vitrien

Een aantal sjieke jongens staan

En heren bovendien

 

Moe, vraagt de kleine, wat verkoopt

Men in dit magazijn

Ja kind, hier koopt men de kostuums

Voor heren, groot en klein

 

Hè, zegt de kleuter, koopt u dan

Dàt pakje daar voor mij

Dan vraag ik aan de winkelier

Die kleine broer erbij

WATER- EN VUURVROUWTJE
 

Een vrouwtje dat woonde in zekere stad

Wilde eenmaal 'n nering beginnen

Zij hoopte en dacht met het geld dat ze had

Nog menige stuiver te winnen

Zij peinsde en wikte, ze dacht en herdacht

Totdat ze een plan had in orde gebracht

 

Haar keus was negotie in water en vuur

Daar kon ze niet veel bij verliezen

De turf en het water zijn immers niet duur

Ze kon dus niets beters verkiezen

Verheugd om haar schone en schrandere vondst

Springt, huppelt en danst zij de kamer in ’t rond

 

Reeds 's anderendaags, bij het rijzen der zon

Doorloopt zij de straten en stegen

Totdat ze 'n huis, zo geschikt als maar kon

Voor zich in 't oog had gekregen

Zij ijlt naar de huisbaas en vraagt hem de prijs

Beknibbelt en huurt dan, voordelig en wijs

 

Nu wacht ze de marktdag, die was in 't verschiet

Om allerlei ketels te kopen

Want tangen en schoppen ontbraken haar niet

Die had ze in soorten, bij hopen

Hij komt en de oudroesten zijn nauwelijks ontstald

Of ze is reeds voorzien van hetgeen haar bevalt

 

Nu noodt zij vriendinnen op koffie en thee

Maar 't meest om eens duchtig te praten

Ze deelt aan die allen haar voornemen mee

Op hoop dat ook dit haar zal baten

En daar zij nu alles heeft opengelegd

Klandizie, die gunstig haar toe wordt gezegd

 

Geen wonder dus dat schier door iedere vrouw

Al spoedig haar plan wordt vernomen

En zij dus niet vreest of menigeen zou

Voorzeker ter markt bij haar komen

Want meer dan aan onze courant of plakkaat

Vermag toch nog zeker het vrouwengepraat

 

De derde van meimaand, die feestdag verscheen

Waarop zij haar huis zou betrekken

Ze sjouwde en zond er haar meubelen heen

En voorts wat tot dienst haar kon strekken

En daar zij trakteerde op koffie en koek

Ontving zij al spoedig veel burenbezoek

 

En nauw is alzo hare woning gewijd

Of dadelijk gaat zij aan het stoken

De turven ontvlammen in weinige tijd

En 't water is spoedig aan 't koken

Daar stromen de vrouwtjes haar woning reeds in

En 't kopen en borgen neemt ras een begin

 

Zo gaat het een tijdlang gezegend al voort

Gestaag neemt zij toe in de klanten

Want elk die de mare van haar zindelijkheid hoort

Vertelt het aan buur en verwanten

Geen water- en vuurvrouw was ooit in de stad

Die zulk ene roem en klandizie bezat

 

Maar eens op een nacht dat de slaap haar ontvlood

En zij op haar werk lag te denken

Bespeurt ze een verzuim, zo verkeerd en zo groot

Dat zij zich geen rust meer kan schenken

Ze had, ja wel alles in orde gebracht

Maar toch, aan 'n uithangbord nimmer gedacht

 

De morgen genaakt, maar geen rust of duur

Geniet zij bij werken en stoken

En vraagt men om water, dan geeft zij soms vuur

Terwijl ze het vocht laat verkoken

Ze denkt maar aan niets dan aan 't bordje alleen

Ze kleedt zich en snelt naar 'n uitdrager heen

 

Daar had ze nog onlangs zo'n bordje gezien

Ze gaat er maar aanstonds om vragen

Ze koopt het van hem, voor een stuiver of tien

En is van haar zorgen ontslagen

Zij ijlt naar haar woning, zoekt hamer en boor

En spijkert met fierheid het sieraad ervoor

 

Nu stookt zij en pookt zij weer lustig met moed

Maar niemand komt borgen of kopen

En hoe zij ook ijvert en wat zij ook doet

Zij ziet haar klandizie verlopen

Ze peinst en ze raadt nu zoveel zij maar kan

Maar zoekt tevergeefs naar de reden ervan

 

Mismoedig en troost'loos verlaat zij het huis

En staat aan de voordeur te staren

Zij klaagt aan 'n buurvrouw haar nood en haar kruis

En 't lot dat haar thans moet wedervaren

Maar deze neemt spoedig en driftig het woord

En zegt haar: Wel vrouwtje klaag verder niet voort

 

Gij zelf zijt de oorzaak van hetgeen u geschiedt

Gij zelf schijnt de kooplust te remmen

Daar ieder met schrik op uw uithangbord ziet:

Hier liggen voetangels en klemmen

Geen wonder dat men uwe woning ontwijkt

Sinds die met 't bordje zo vreselijk prijkt

 

Wat zegt ge, zo riep en zo schreeuwde zij luid

Ik heb dit mijn domheid te wijten

Ik heb door mijn onkunde bitter verbruid

Mijn keus mag mij dubbel wel spijten

Hoe jammer, ik kende geen a voor een b

Toch kocht ik een bordje, maar won er niet mee

 

Zij liep weer naar binnen, zocht nijptang en leer

En klauterde gezwind op de sporten

En 't bordje viel spoedig in 't voetzand terneer

Door 't trekken en stoten en horten

En daar het haar zoveel verdriet had gebaard

Doemt zij het verwoed tot 'n brand in de haard

 

En menigeen die deze misslag vernam

Liet voorts van dit vrouwtje zich Ieren

Om, eer hij tot vreemde besluiten ooit kwam

De raad van deskundigen te eren

En hoedde zich zo, dat 't hem in z'n kring

Niet als onze water- en vuurvrouw verging

WEES VOORZICHTIG
 

Visje, visje, in de vliet

Hap toch naar de wormpjes niet

Komt het u in 't keeltje glijden

Onbarmhartig zult ge lijden

Ziet ge daar die knaap niet staan

Visje, zwem hier ras vandaan

 

't Visje wou het beter weten

't Zag niets dan de vette beten

Aan de lijn der hengelroe

Vrolijk schoot het diertje toe

’t Hapte …… en spartelde nog even

Uit was het, met het lieve leven

WEL ANNEMARIEKE
 

Wel Annemarieke, waar gaat gij naar toe

Wel Annemarieke, waar gaat gij naar toe

'k Gane naar buiten, al bij de soldaten

Hoepsasa faldera, Annemarie

 

Wel Annemarieke, wat gaat gij daar doen

Wel Annemarieke, wat gaat gij daar doen

Haspen en spinnen, soldaatjes beminnen

Hoepsasa faldera, Annemarie

 

Wel Annemarieke, hebt gij er geen man

Wel Annemarieke, hebt gij er geen man

Heb ik geen man, ik krijge geen slagen

Hoepsasa faldera, Annemarie

 

Wel Annemarieke, hebt gij er geen kind

Wel Annemarieke, hebt gij er geen kind

Heb ik geen kind, ik moete niet zorgen

Hoepsasa faldera, Annemarie

 

Wel Annemarieke, hebt gij er geen lief

Wel Annemarieke, hebt gij er geen lief

Ik heb er niet ene, ik heb er wel zeven

Hoepsasa faldera, Annemarie

WIE GOED DOET, GOED ONTMOET
 

Een bijtje vloog eens ongestoord

Van bloem tot bloem, maar ziet

Een windvlaag werpt het van een blad

En het spartelt in de vliet

Er kwam een golfje aan, o wee

En sleepte het arme diertje mee

 

Dat zag een kirrend duifje toen

Dat op een takje zat

Het pikte een blaadje van de boom

En wierp het in het nat

Het bijtje vat met romp en poot

Het blad en komt zo uit de nood

 

Het duifje zat nog op de tak

Daar kwam een jager aan

Met opgeheven jachtgeweer

En spande reeds de haan

Toen stak de bij hem in de hand

En paf …… het schot ging mis naar ’t strand

 

Zo dankt het duifje op zijn beurt

Aan het bijtje zijn behoud

En beiden waren zeer tevreê

En vlogen weg door 't hout

Nooit laat God onbeloond, wie goed

En lief aan anderen doet

WIJ KOMEN UIT VERRE LANDEN
 

Wij komen uit verre landen

Magog magog magoggeltje

Wij komen uit verre landen

Magoggeltje

 

Wat heb je voor ons meegebracht

Magog magog magoggeltje

Wat heb je voor ons meegebracht

Magoggeltje

 

Een mandje met gouden roosjes

Magog magog magoggeltje

Een mandje met gouden roosjes

Magoggeltje

 

Voor wie zal dat wel wezen

Magog magog magoggeltje

Voor wie zal dat wel wezen

Magoggeltje

 

Al voor mijn allerliefste

Magog magog magoggeltje

Al voor mijn allerliefste

Magoggeltje

WILLEM WOUTERS
 

Wie weet waar Willem Wouters woont

Willem Wouters woont wijd weg

Wie weet wat Willem Wouters weeft

Willem Wouters weeft witte wollen winterwanten

WINTERBLOEMEN
 

Wie heeft de bloemen geschilderd

Die op de ruiten staan

Dat hebben de engelen des hemels

Voor u, mijn kind, gedaan

 

Er bloeit in tuin en hoven

Geen enkel bloempje meer

En kinderen houden van bloemen

Sprak onze lieve Heer

 

Toen namen de engelen penselen

Verlieten 's hemels zaal

En schilderden op de ruiten

Deez’ bloempjes, allemaal