Terug

 

 

A B C
D E F
G H I
J K L
M N O
P Q R
S T U
V W X
IJ Z blanko

Zoeken

 

KLIK OP EEN TITEL OM TE OPENEN
KLIK NOGMAALS OM TE SLUITEN

Z

ZALTBOMMEL
 

In die grote stad Zaltbommel

Heerste grote watersnood

En zo menig arme drommel

Die niet zwemmen kon ging dood

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

 

Op een vlot van houten planken

Zat een grote herdershond

Zo erbarmelijk te janken

Omdat hij zijn baas niet vond

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

 

Een matroos met houten benen

En een rode zwembroek aan

Zat als een klein kind te wenen

Want zijn schip dat was vergaan

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

 

't Was afgrijselijk te aanschouwen

Hoe, beroofd van haar korset

Een boerin uit Henegouwen

Aan kwam drijven op haar vet

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

 

In een mand met verse broodjes

Dreef des bakkers jongste kind

Zwaaide met zijn blote pootjes

En stonk uren in de wind

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

 

Op een vloer met nog wat planken

Dreef de doopsgezinde school

Jongens hingen uit de banken

Lapten 't Ieren aan hun zool

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

 

In een Ford met lekke banden

Zat een rijke kruidenier

Tussen zijn verkleumde handen

Klemde hij een heel vat bier

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

 

Een Chinees met lange haren

Op zijn rug een linnen zak

Viste met machinegaren

Sinaasappels en tabak

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

 

De twee zoontjes van de koster

Zaten op het kerkendak

Samen stekelbaars te vangen

In de kerkcollectezak

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits van bi-ba-Bommel

En te midden van die rommel, rommel

Dreef de torenspits in ’t rond

ZEG MOEDER WAAR IS JAN
 

Zeg moeder waar is Jan

Daarginder, daarginder

Zeg moeder waar is Jan

Daarginder komt hij an

 

Waar ben je dan geweest

Bij tante, bij tante

Waar ben je dan geweest

Bij tante op het feest

 

Wat heb je daar gehad

Een koekje, een koekje

Wat heb je daar gehad

Een koekje met een gat

 

Wie waren er nog meer

Een dame, een dame

Wie waren er nog meer

Een dame en een heer

 

Wat had die dame op

Een hoedje, een hoedje

Wat had die dame op

Een hoedje van ’n pop

 

Wat had dat heertje aan

Een jasje, een jasje

Wat had dat heertje aan

Een jasje van de maan

ZEG MOESJE
 

Zeg moesje, mag ik de deur nu eens uit

Het is hier zo donker en naar

Daar buiten is zonneschijn, ruimte en lucht

Toe moesje, héél eventjes maar

 

Ik wilde zo graag eens de wereld bezien

Die tuin ginds, die sloot en die wei

Dan kan ik hard lopen, en rennen zo 'k wil

Toe moesje, och laat me eens vrij

 

Neen kindlief, je bent nog te jong en te zwak

't Gevaar is daar buiten te groot

De katten en mensen, zij loeren op ons

Je zusjes zijn allen reeds dood

 

Maar wacht tot ge groot zijt en sterk zoals ik

En weet wie uw vijanden zijn

Dan kunt ge gaan vluchten, en vechten als 't moet

Nu zijt gij, mijn schatje, te klein

ZEVEN KIKKERTJES
 

Er zaten zeven kikkertjes

Al in een boerensloot

De sloot was dichtgevroren

Ze lagen hallef dood

Ze kwekten niet, ze kwaakten niet

Van honger en verdriet

Ze kwekten niet, ze kwaakten niet

Van honger en verdriet

 

De jongste, die een wijsneus was

Zei tot zijn kameraads:

Die malle nachtegalen

Wat hebben die een praats

Was eerst het ijs maar in de dooi

Wij zongen eens zo mooi

Was eerst het ijs maar in de dooi

Wij zongen eens zo mooi

 

De zoete lieve lente kwam

Zij kwaakten d' oude wijs

Als zij dàt zingen noemden

Wens ik hen weer in 't ijs

Ik geef die kikkers allemaal

Voor éne nachtegaal

Ik geef die kikkers allemaal

Voor éne nachtegaal

ZIJN EERSTE PIJP
 

Weggekropen in een hoekje

Stopte Hein een gouwenaar

En hij smookte en hij rookte

Als een man van zestig jaar

 

Maar het duurde geen kwartiertje

Of hij werd zo wit als krijt

Kon niet staan meer op zijn benen

O, wat had het ventje spijt

 

Moeder bracht hem gauw naar bed toe

En was vreselijk ongerust

Wat scheelt Hein toch, dat hij bleek ziet

En geheel geen eten lust

 

Dokter kwam, voelde 't polsje

Schudde 't hoofd, en sprak tot moe:

Hier hebt u een klein receptje

Stopt hem nu maar warmpjes toe

 

Heintje kreeg een bitter drankje

Was de andere dag weer klaar

Maar hij kwam vooreerst niet weder

Aan zijn vaders gouwenaar